Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handen verdeeld, waardoor een bliksemende snelheid wordt be* reikt, de sprongen tusschen verwijderd liggende intervallen (in de zesde).

Van de „Etudes en douze excercises", het werk van den 15* jarige, naar de „Douze etudes d'exécution transcendante" van den 26*jarige, dat is een overgang van Czerny en Cramer naar Liszt. Verscheidene dezer etuden hebben titels, wat er op wijst, dat Liszt reeds toen met het technische een poëtisch element wilde vervlechten, zooals bij de etuden van Chopin eveneens naar voren komt. No. 3 heet „Paysage", No. 4 „Mazeppa", No. 5 „Feux follets", No. 6 „Eroïca", No. 7 „Vision", No. 8 „Wilder Jagd", No. 9 „Ricordanza", No. 11 „Harmonies du soir", titels, die op zichzelf reeds Liszt's afkeer van een geestelooze gymnastiek der vingers aantoonen. Wij zouden thans misschien deze titels zakelijker stellen en b.v. „Mazeppa" de „Ausdauer* etude" noemen. Het zijn technische wonderwerken van klank en durf, die Schumann terecht als „Sturm und Graus*etuden" heeft betiteld. Eerbied voor den pianist, die deze 12 etuden, zooals met die van Chopin wel geschiedt, achter elkaar op één concert durft spelenl

Een latere etude is „Ab irato, étude de perfectionnement", door Liszt in 1841 voor MosCheles' „Méthode des Méthodes" als „Moreeau de salon" gecomponeerd. Van de „Trois Etudes de concert", getiteld „II lamento", „La Leggierezza" en „Un Sospiro" verraadt vooral de tweede sterke Chopindnvloeden. Minder zwaar, maar zeer effectvol voor de concertzaal, zijn de beide laatste concertetuden „Waldesrauschen" en „Gnomen* reigen", door Liszt gecomponeerd voor Stark's „Klavierschule".

De Hongaarsche Rapsodieën.

In zijn kinderjaren heeft Liszt de Zigeuners gekend: de Rommy's bezochten ook R ai ding vaak. Later, toen hij, zooals een Zigeunerin hem uit de hand voorspeld had, „beroemd en in een. glazen huis" (het Hongaarsche woord voor koets) in zijn vaderland terugkeerde, heeft hij „het nomadenvolk van Czi* gany" van nabij bestudeerd, in hun kampen naar hun muziek ge* luisterd en hun melodieën verzameld. Met zijn „Hongaarsche Rapsodieën" — muziek, die voor het groote pubhek één met Liszt's naam zijn gebleven, hoewel de dilettanten ze meestal niet in hun origineele zetting kunnen spelen — heeft Liszt aan de herinneringen van zijn jeugd een gedenkteeken opgericht. Hij Bet dit „epos der Zingari" eerst „ongeharnast en zonder zadel rijdend' de wereld ingaan. Later zond hij het een boek achterna, dat aanvankelijk de voorrede zou zijn geworden, „De Zigeuners en hun muziek in Hongarije". Bij de Zigeuners ook ontmoette

123

Sluiten