Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

Vroegste Geschiedenis.

De geologische grondslag.

De bodem der provincies Noord-Brabant en Limburg is, voor verreweg het grootste deel, opgebouwd uit zuidelijk diluvium, dat hier en daar met een alluviaal laagje overtrokken is. * In een verhandeling „De hoogvenen en gedaanteverwisselingen der Maas in Noord-Brabant en Limburg" gaf Dr. Lorié 1) de groote lijnen aan van dat proces, welke door het werk van den Rijksopsporingsdienst van Delfstoffen bevestigd en aangevuld werden.

Enorme lagen zand en grind zijn er afgezet door de watermassa's, die van de hoogten van Ardennen en Eifel, langs een zachthellende bedding, N.W.-waarts stroomden. De afzettingen van kiezel en grof zand wijzen op een groote snelheid, terwijl de leemlagen, die wij er veelvuldig aantreffen, ontstaan moeten zijn op stillere plekken of in kommen, waar fijnere slibdeeltjes konden bezinken. Het voorkomen hier en daar van grootere steenblokken (bij Liessel op den westelijken Peelrand vond men er een van 1750 K.Q.) zegt ons, dat ook ijsblokken van ontzaggelijke afmetingen moeten zijn meegekomen 2). Het zuidelijk ijs schijnt echter slechts bij uitzondering tot in deze streken te zijn doorgedrongen, want de erratische gesteenten zijn er sporadisch aanwezig.

„Hoe vlakker het land, hoe geringer de stroomsnelheid werd. „Zoo werd eerst het grover gesteente, daarna het zand, verder „naar zee leem en klei in het water neergelegd en aldus hoopte „zich geleidelijk het land op, waardoor tegelijkertijd de afvoer van het water, hier meer daar minder, werd bemoeilijkt" *).

1) Lorié J. De Hoogvenen en Gedaanteverwisselingen der Maas in Noord-Brabant en Limburg (Verhandelingen der Kon. Akad. van Wetenschappen te Amsterdam, 2e Sectie, Dl. III, no. 7. 1894).

2) Schendeler P. A. De prae-historisehe, de historische en de toekomstige Peel. Veghel 1922. bldz. 6.

8) Schendeler P. A. bMz. 8.

Sluiten