Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16

reeds verscheidene dochterdorpen, op Straelen's gebied ontstaan, afgescheiden. De Heer van Arcen, een dier dorpen, trachtte zich deelen van het gemeenschappelijk gebied toe te eigenen. Hiertegen riepen eindelijk de inwoners van Straelen de hulp in van Hertog Reinald III van Qelre, waartoe Straelen behoorde, en van de abdij van Siegburg, die er de grondheerlijke rechten had. Enkele der oudste inwoners, goed met de streek bekend, werden omtrent de grenzen ondervraagd, een algemeen gebruikelijke methode bij oneenigheid over landgrenzen. De grenzen worden dan genoemd, waaruit blijkt, dat verschillende dorpen in den omtrek tot het gebied van Straelen behooren.

Aanvankelijk hadden echter die nederzettingen nog niet het voorkomen onzer dorpen. Het waren „boerschappen", die bestonden uit groepen hoeven en hoefjes, die of wel in lange rijen met zekere tusschenruimten, of geheel afgezonderd verspreid lagen. De eigenlijke dorpen ontstonden gewoonlijk pas na den bouw eener kerk, die dan het middelpunt werd, waar handwerkers en kooplieden zich bij voorkeur vestigden. Dat dorp nam meer en meer in beteekenis toe en zijn aanzien en invloed steeg ten koste van die der grondbezitters. Het dorp kwam aan de spits der nederzetting of gemeente te staan, terwijl de verspreid liggende hoeven op den achtergrond geraakten.

Zeer in 't oog vallend is het verschil tusschen eenerzijd s den heuvelachtigen löszbodem van Zuid-Limburg en de vruchtbare maasboorden, met de dicht opeengehoopte oude dorpen, en anderzijds de uitgestrekte diluviale zandgronden in Noord-Limburg en Oostelijk Noord-Brabant, waar nieuw gestichte dorpjes zich nog steeds voegen tusschen de oudere, die er dun gezaaid liggen over de vlakte. Duidelijk blijkt ook nog, dat de eerste nederzettingen bijna steeds in de nabijheid van rivieren of beken plaats hadden, wat het dubbele voordeel bood, dat daar de natuurlijke weiden voor het vee gevonden werden en dat men er met de minste moeite over water kon beschikken.

Oorspronkelijke vorm van grondeigendom.

Een veel verspreide leer omtrent den oorspronkelijken vorm van grondeigendom in deze streken luidt, met nuances, aldus: „Aanvankelijk, d. i. ten tijde van Caesar, was alle grond in gemeen eigendom. Langzamerhand is de bouwgrond in particulier bezit overgegaan en is de heide-, weide-, bosch-, moerasen veengrond gemeen eigendom gebleven, voor zoover niet, het-

Sluiten