Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

„Nulle terre sans Seigneur" is het adagium, waarin dat zijn uitdrukking vond.

De soms over groote afstanden verspreid liggende gronden van één eigenaar vormden samen een „Hof", die vaak weer onderverdeeld was in administratieve complexen.

Volgens de nieuwe leer van Fleischmann zou de boerenstand gegroeid zijn uit de slaven, die van ouds de gronden der heeren bewerkten. In den stand der heeren zou later differentiëering gekomen zijn, waarna het feodale stelsel de toestanden bracht, zooals die hierboven beschreven werden. Kleinere grondheeren stelden zich vaak met hunne boeren onder een ander heer, vaak een kerk of klooster.

Terwijl de hoorigheid der boeren in vele streken tot in de 19e eeuw bleef voortbestaan en de beginselen der Fransche Revolutie ze eerst langzamerhand deden verdwijnen, veranderde ze in ons land reeds vroeg, tot onherkenbaar-wordens toe 1).

In Friesland schijnt de hoorigheid, evenals het feodale stelsel, weinig wortel te hebben geschoten. In Holland is ze in de 13de eeuw reeds verdwenen.

De keurmedigheid, die daar in de 16de eeuw nog bestond, schijnt er een overblijfsel van te zijn.

Ook in de Zuidelijke provincies verdween ze reeds vroeg. In het gebied van het tegenwoordige Limburg vond ik er nog nauwelijks sporen van. In het dorp Arcen werd de hoorigheid afgeschaft in 1064 bij de aanvaarding dier streek door de abdij Siegburg 2).

/ Dr. H. Blink vermeldt 3), dat hertog Hendrik II van Brabant /in 1247 alle op zijn goed wonenden bevrijdde, welk voorbeeld

j veel navolging vond. De hoorigen werden cijnsplichtig.

I Alleen in de Oostelijke provincies Gelderland en Overijssel

f hield de hoorigheid langer stand en waren er nog overblijfselen

^van in het begin der 19de eeuw.

1) Fockema Andreae S. Bijdragen tot de Nederlandsche Rechtsgeschiedenis, Deel III. Haarlem 1892. bldz. 126.

2) Henrichs L. bldz. 18.

3) Geschiedenis van den Boerenstand en den Landbouw in Nederland. Groningen 1902. Deel I, bldz. 153.

Sluiten