Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

Marken en Gemeynten •).

Het begrip marke en gemeynte.

„Marken zijn, volgens de Blécourt*) — en vele auteurs staan op hetzelfde standpunt —, communale gronden, gemeenten, meenten, vroenten, hoe ook genaamd, m. a. w. gemeene heiden, weiden, venen, bosschen." Zoodoende brengt hij ook de geineynr ten van Noord-Brabant en Limburg onder het begrip „marke".

Wel vindt men in oude stukken omtrent die gemeene gronden ook den naam „marca", ofschoon Ackersdijck 2) beweert, dat ze steeds „communitates" genoemd worden. In 't Nederlandsch waren gebruikelijk de namen gemeynte, vroente en aanverwanten.

Het lijkt mij beter de meest gebruikelijke oude benaming „gemeynte" bij te houden, zulks ter onderscheiding van de eigenlijke marken.

Er is toch een groot verschil in geschiedenis en rechtstoestand tusschen de gemeenschappelijke gronden onzer Oostelijke provincies en die in Noord-Brabant en Limburg.

In Drenthe, Overijssel en Gelderland waren ze in gemeenschappelijken eigendom, in de Zuidelijke provincies was het privaat eigendom, waarop gemeenschappelijke gebruiksrechten werden uitgeoefend. Ginds treffen we bepaalde gerechtigden — „gewhaarden"-^— aan en was zoo'n recht oorspronkelijk steeds aan een erf verbonden, hier behoorden de gebruiksrechten aan alle ingezetenen.

Algemeen wordt aangenomen, dat dit onderscheid samenhangt met een verschillende politieke geschiedenis 3). Overal waar de Frankische rechtsidëen en macht overheerschend zijn geweest, vindt men het stelsel der „gemeynten", ook in Frankrijk en België, terwijl in de Saksische streken de Germaansche „marke" zich ontwikkelde.

•) We zullen deze oude benaming gebruiken om verwarring met ons begrip „gemeente" te voorkomen.

1) de Blécourt. bldz. 309. ^

2) Aanmerkingen enz. bldz. 112.

3) Blink Dr. H. Geschiedenis van den Boerenstand en den Landbouw in Nederland. Groningen 1902.. Deel II. p. 462.

Sluiten