Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

gegaan in gemeenschappelijken eigendom, evenals, bij het afschaffen der hoorigheid, de hoeven eigendom werden 1).

Leopold de Lisle 2) zegt omtrent den toestand in Normandië: „menigmaal heeft de eigenaar van bosschen erkend, dat de parochianen gebruiksrechten hadden in die bosschen en hetzelfde ziet men ten opzichte van velden in gemeen gebruik. Het zou een groote dwaling zijn, al deze terreinen voor gemeentegronden in den eigenlijken zin te houden. Deze laatsten zijn inderdaad uiterst zeldzaam in de middeleeuwen. Meestal was de koning of heer de eigenlijke eigenaar van den grond, die gebruikt werd voor „gemeenschappelijke beweiding". Wat hier duidelijk gezegd wordt, kan men ook opmaken uit beschrijvingen van andere streken in Frankrijk.

De oorspronkelijke idéé, dat de eigendom van den grond den koning toekwam verslapte met de eeuwen. Langzamerhand hadden in het feodale stelsel de kleinere heeren (hetzij wereldlijke vorsten, heeren of kerkelijke instellingen) ook wat het eigendomsrecht op de gronden betreft zich onafhankelijk gemaakt. Zoo verslapten op hunne beurt de eigendomsrechten der grondheeren. De „heerlijke" eigendom werd 'n soort eigendom, die fictief of zuiver politiek was (propriété fictive ou purement politique) en waarvan de kenteekenen waren het cijns- en jachtrecht, de rechtspraak en het politietoezicht 3).

Onder of naasi dezen oppereigendom stond de gewone burgerlijke eigendom en die behoorde aan hen, die gronden in bezit hadden. Om deze begrippen weer te geven, bezigde men de uitdrukkingen „fond" voor den gewonen eigendom en tréfond (trèsfond) voor den oppereigendom, die de hoogere rechten aanduidde. Daarnaast stond nog het recht van „superficie", het gebruiksrecht.

Aldus geeft Latruffe-Montmeylian ons een helder inzicht in de eigendomsverhoudingen onder het féodale stelsel.

M. i. generaliseert hij echter te veel, als hij dat schema gaat toepassen op de biens communaux. Volgens hem had de grondheer er den oppereigendom, de propriété politique of tréfond; den burgerlijken eigendom zou de dorpsgemeenschap, beschouwd als fictief wezen, bezitten, terwijl de „superficie", de

1) Sée H. Les classes rurales et le régime domanial 1901. bldz. 490 e.v.

2) Etude sur la eondition de la classe agricole en Normandie au moyen age. Evreux 1851, geciteerd door de Blécourt, bldz. 321.

3) Latruffe-Montmeylian. Des droits des communes sur les biens communaux. Paris 1825. t. I. p. 120.

Sluiten