Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38

Vermeerdering van bouwland wordt nutteloos geacht wegens het gebrek aan mest en omdat men voor de omheining de bosschen leegplundert.

Ofschoon de wet niet is afgeschaft, hebben latere wettelijke en administratieve bepalingen toch de kostelooze verdeeling verboden. Wel schijnt de latere wetgeving de verdeeling der inkomsten uit de communaux onder de bewoners gehandhaafd te hebben evenals het beheer door hunne vergadering. In de jaren X en XIII zijn bij consulair arrest en door een wet de inkomsten aan de gemeenten toegewezen en het beheer aan den gemeenteraad.

Een decreet van het jaar XIII versterkte de macht der overheid door voor verandering in de gebruikswijze der gemeentegronden de autorisatie door een decreet voor te schrijven, op advies van den prefect en onderprefect, wat in de gemeentewetten van 1837 en '84 werd overgenomen. De verdeeling per hoofd was niet verboden, maar de regeering voelde meer voor verdeeling per gezin, welk beginsel voor de toewijzing van branden timmerhout (affouage) in den Code Forestier van 1827 werd vastgelegd.

De kritiek tegen het decreet van 10 Juni 1793 werd het eerst duidelijk en in haar geheel uitgesproken in een zitting der Conventie op 20 Thermidor an III, waarmee de antidemocratische actie t. o. v. de gemeentegronden werd ingeluid. Reeds in IV nam het Directoire het besluit om voorloopig alle acties betreffende de verdeeling op te schorten.

Een wet van het jaar V verbood aan de gemeenten hare goederen te verkoopen of te vervreemden, impliciet ook de verdeeling. Samenvattend kunnen we zeggen, dat de financieele moeilijkheden van de Revolutie, vervolgens de verandering in de politieke constellatie na Thermidor III de toepassing van het ingrijpende decreet van 10 Juni 1793 beperkten. Men durfde het echter niet intrekken en voerde daarom allerlei afzonderlijke maatregelen in. Zoo kon de inhoud er van gedeeltelijk overgaan in de latere wetgeving.

Masuirs of Amborgers.

De Leuvensche hoogleeraar E. Vliebergh maakt melding van „goederen in gemeenzamen eigendom, waarvan het juridisch karakter niet vaststaat" 1).

1) Vliebergh E. „Beginselen van niet-teehnische Landhuishoudkunde", bldz. 28. Leuven 1920.

Sluiten