Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60

Isfridus Thijs *) eene in het jaar 1788 door de „vrienden der Meierij" bekroonde prijsvraag.

In Deel I tracht hij aan te toonen, dat de ontginning nuttig is voor de maatschappij, voor de dorpen, voor de particulieren. Daarin bespreekt hij verder den aard der gronden in verschillende streken en de mogelijkheid van aanvoer van mest uit de Hollandsche steden.

Deel II handelt over de hoedanigheden, die in een akkerman vereischt worden en over de wijze, waarop men bebouwde landen vruchtbaar kan maken.

Deel III toont aan, hoe de „vage" gronden in cultuur kunnen worden gebracht. Op de eerste plaats bespreekt hij hier de verdeeling aan de ingezetenen (quod plurimos tangit, neminem angit). Hij acht verdeeling 't best, onder verplichting binnen zekeren tijd een bepaalde oppervlakte te ontginnen op straffe, dat het weer aan de gemeenschap terugkeert. Daartoe is een ordonnantie van de regeering gewenscht. Daar geldgebrek dikwijls remmend werkt, wil hij aan de armen gronden schenken en daarbij geld leenen.

Een andere prijsvraag, gesteld door de Maatschappij van den Landbouw te Amsterdam, welke vroeg naar „de redenen, waarom in verscheidene oorden van het Qemeenebest, zeer veel gronden tot hiertoe, leeg en onbebouwd zijn blijven liggen", werd in 1798 beantwoord door Mr. P. de la Court 2). Deze stelde voor, een generaal-octrooi te geven aan de dorpsbesturen om van tijd tot tijd een zekere hoeveelheid grond publiek te mogen verkoopen of nog beter achtte hij het, dat het steeds een ieder vrij stond van het bestuur der gemeenten den koop van den grond aan te vragen.

Verder betoogt hij, dat de cijnsen met de gronden der Revolutie onbestaanbaar zijn en dus de som van 17 stuiver per lopense of ƒ 5.20 per morgen thans aan het provinciaal domein te voldoen, zal vervallen. De novale tienden, die na 15 jaar geheven werden, wilde hij geheel zien afgeschaft. Voor bouw- en weilandontginning vroeg hij 15 jaar vrijdom van belasting en voor bosschen 25 jaar, omdat die den grond verbeteren.

Bijzonder dringt de la Court aan op een beter gebruik der „gebroecktens" door ze afwisselend te beweiden en een gedeelte

1) Thys. Is. Memorie of Vertoog over het uitgeven en tot culture brengen der vage en incnlte gronden in de Meyery van 's-Hertogenbosch. Mechelen 1792.

2) Eeeds eerder geciteerd.

Sluiten