Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

De Gemeentegronden l) in de XIXde Eeuw.

Ontginning in het algemeen.

Gedurende de roerige jaren van het begin der 19de eeuw werd aan ontginning weinig gedaan. Onder het Fransche Bestuur was het moeilijk geweest gemeentegrond in particulieren eigendom te verkrijgen, de prijzen der producten waren laag en de aanslag in de grondlasten werd vaak geheven, alvorens de tijd van vrijdom verstreken was. Ook gemeentebesturen en particulieren zagen reikhalzend tegemoet, welke bepalingen er zouden worden gemaakt omtrent de wijze van uitgifte der gronden en den vrijdom van belasting. Sommige gemeenten zouden in verkoop van gronden het beste middel zien om hare schuld te voldoen 2). Wetten van 1807 en 1809 bevatten o.a. bepalingen ter bevordering van de ontginning van woeste gronden. Er werd een tijdelijke vrijdom van belasting toegestaan op gronden en gebouwen en den Koning werd de beslissing overgelaten in geval de gemeente weigerde grond ter ontginning af te staan. Door de verandering in regeeringsvorm kwam er van de toepassing dier wetten niet veel 8). Ook de wet van 23 December 1823 (S. 57), waarbij voor 15 jaar vrijdom van grondbelasting werd toegestaan voor gebouwen en woningen door de maatschappijen van weldadigheid gesticht, had weinig beteekenis.

Van 16—21 Juli 1823 werd te Brussel een vergadering gehouden van afgevaardigden uit de Commissien van Landbouw, die sinds 1805 in de verschillende departementen bestonden 4), na de vereeniging ook in de zuidelijke Nederlanden. Deze vergadering hield zich ook bezig met het ontginningsvraagstuk. Er werd op aangedrongen den aankoop gemakkelijk te maken en tijdelijken vrijdom van belasting te verleenen.

In de „Statistique du Département de la Meuse Inférieure" B)

1) De „gemeynten" zijn nu „gemeentegrond" geworden.

2) Staat van den Landbouw 1814 en 1815.

3) Staat van den Landbouw 1813 en 1814.

4) De Nederlandsche landbouw in het tijdvak 1813-1913. Uitgave van de Directie van den Landbouw, 's-Gravenhage, bldz. 46.

5) Maestricht 1802, bldz. 23.

Sluiten