Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

Deze verkoopingen bleven in de twintiger jaren doorgaan en in 1829 staat vermeld, dat van 1815 af verkocht zijn of verlof tot verkoop is aangevraagd voor 37.918 bunders en het verslag voegt er bij: „door dien maatregel zijn er menige bijna verloren gronden in bouwland verkeerd, aanzienlijke gemeenteschulden afgelost en zware kapitalen in omloop gebracht geworden". De opbrengst der reeds verkochte gronden bedroeg ongeveer ƒ L388.000.

Van de gronden, die haar bij de verdeeling in 1827 en 1846 waren toegewezen, verpachtte de gemeente Stramproy reeds in 1852 een groot gedeelte, terwijl de rest, waaruit turf gegraven werd, ter beschikking bleef der ingezetenen. Twaalf jaren later werd vanwege het Belgisch Gouvernement, op welks gebied die gronden lagen, verbod gelegd op het turf steken in het moeras. Den 7den Juni 1868 sloot Stramproy met een Belgische maatschappij, die de moerasgronden van enkele Belgische grensgemeenten gekocht had, een verdrag, waardoor Stramproy het recht kreeg het water uit het broek in het afwateringskanaal dier maatschappij te lossen; in ruil werd 50 H.A. grond afgestaan. In 1870 en '71 is daarna het broek aan particulieren verkocht. Reeds in 1835, '39 en '57 had de gemeente de binnenhoeken (tusschen particuliere perceelen in liggende gronden) te gelde gemaakt. Bij de laatste verkooping was uitdrukkelijk bepaald, dat enkel grondeigenaars des dorps mochten koopen en slechts een enkel perceel, tenzij andere koopers ontbraken. Deze gemeente had dus reeds in 1871 bijna al haar woeste gronden vervreemd. Dat kon omdat ze meestal gelegen waren in de nabijheid der bebouwde gronden, terwijl tevens het z.g. broek, na afwatering, betrekkelijk gemakkelijk tot vruchtbaarheid was te brengen.

Dat er in Limburg steeds veel verkocht werd, blijkt uit een mededeeling in het Verslag over den Landbouw van 1865, volgens welke er in de laatste zes jaren 7934 bunder vervreemd werd door de gemeenten voor ƒ 366.047, terwijl er 3130 bunder verpacht was voor ƒ 17.209. Deze laatste gronden waren echter in hoofdzaak oude cultuurgronden.

De volgende staat geeft nader den toestand der gemeentegronden in die jaren weer *).

1) Versla» over den Landbouw, 1861, bldz. 417 en 18€4 bldz. 267.

Sluiten