Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

83

gen hebben. Nemen we dat aan, dan is van 1856 tot 1904 de hoeveelheid gemeentegrond verminderd:

in Noord-Brabant van 104.929 H.A. tot 61.551 H.A.x) of met 41%, in Limburg „ 55.402 „ „ 34.627 „ *) „ „ 38%!

Gemiddeld zou er dus in Limburg 433 H.A. per jaar verkocht zijn. Uit het register, waarin ter Provinciale Griffie aanteekening wordt gehouden van de verkochte onroerende gemeentegoederen, maakte ik op, dat van 1885 tot 1900 slechts 90 H.A. gemiddeld per jaar verkocht werd in Noord-Limburg, terwijl in Zuid-Limburg uit den aard der zaak zeer weinig verkocht werd. Dit illustreert zeer duidelijk den geringen ontginningslust in dien tijd. Overigens zien we, dat in de 2de helft der 19de eeuw zeer veel gemeentegrond vervreemd werd; in Noord-Brabant absoluut en relatief het meest. In de eerste helft dier eeuw was het omgekeerd geweest; toen was de vraag in Noord-Brabant niet zoo groot.

Minder dan verkoop had in de vorige eeuw verpachting van gemeentegrond plaats. Daar de meeste dier gronden beboscht werden had dat ook weinig zin. Tegen het einde dier eeuw worden de gevallen echter talrijker. Wel kwam het reeds eerder nogal eens voor, dat grond tegen een geringe pachtsom in huur werd gegeven aan behoeftige ingezetenen, die er een hutje op konden bouwen. Dit werd beter geacht dan dat men den grond kosteloos afstond, zooals vroeger meer gebruikelijk was, omdat men bij huur ongewenschte personen uit de huisjes kon weren.2).

Bij den afstand van gemeentegrond moesten de gemeentebesturen steeds zorgvuldig er voor waken, dat de dorpelingen geen schade leden noch aan hunnen eigendom, noch in de gelegenheid tot het laten grazen van hun vee, noch in de bruikbaarheid der wegen ")•

Een aanschrijving van Gedeputeerde Staten van het Hertogdom Limburg d.d. 22 Juli 1859 4) spoorde de gemeentebesturen ten dringendste aan om hunne daarvoor in aanmerking komende grondbezittingen zooveel doenlijk aan het gemeenschappelijk gebruik te onttrekken. De Commissaris des Konings drong daartoe later ook met klem aan bij zijn rondreizen door de gemeenten. Brinkgreve, die dit vermeldt, stelt het als voorbeeld voor andere gewesten.

1) Zie bldz. KL

2) Deckers Dr. L., bldz. 101.

3) Deckers Dr. L., bldz. 96.

4) Brinkgreve M., De ontginning onzer heidevelden. Utrecht 1887, bldz. 25.

Sluiten