Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

98

Het aantal bijenkorven verminderde in Noord-Brabant van 1870 tot 1894 reeds van 51.565 tot 22.188, om in 1910 terug te vallen op 12.537. Daarna nam het tengevolge der oplevende belangstelling voor de bijenhouderij weer eenigszins toe, zoodat in 1921 er 16.035 volken waren. Limburg had 7000 korven en kasten in 1910 en 8.340 in 1921.

Slechts het midden der Peel, waar hoogveen gevonden wordt, biedt in het seizoen nog eenige bedrijvigheid, als de boeren der omliggende dorpen er hun brandstof winnen.

Zoodoende waren de gebruiksrechten der inwoners haast waardeloos geworden en ze verzetten zich dan ook niet langer tegen verkoop, verpachting en ontginning.

Verkoop en verpachting.

Gedurende de 19de eeuw was het standpunt ingenomen, dat de woeste gemeentegronden maar zooveel mogelijk moesten worden verkocht. Voor vele Brabantsche en Limburgsche gemeenten met hare groote uitgestrektheden heidegrond, die zoo goed als niets opleverden, had iedere verkoop gewin beteekend en dat er nog niet meer verkocht werd was enkel te wijten aan de geringe vraag en hier en daar ook aan het verzet der boeren, die een te groote beknotting in de gebruiksrechten vreesden.

Niet altijd was bij het vervreemden der gronden het algemeen belang voldoende in het oog gehouden. Door steeds maar de beste stukken, waarnaar alleen vraag was, te verkoopen was het gemeentebezit vaak zeer versnipperd. Enkele vooruitzienden, niet zelden gemeente-bestuurders of hunne verwanten en vrienden, hadden zich gewoonlijk van de beste deelen verzekerd.

Toen het getij keerde, werden ook hier de bakens verzet. Het succes der nieuwe ontginningsmethoden deed de waarde der woeste gronden snel stijgen en de vraag zoo toenemen, dat Gedeputeerde Staten van Limburg het wenschelijk achtten hun standpunt te veranderen en een massalen verkoop te keeren. Zij stonden in het vervolg slechts verkoop toe, wanneer de gemeenten zelf de gronden moeilijk rendabel kunnen maken, vooral wegens de ligging, te groote uitgestrektheid of financieel onvermogen.

Ook in Noord-Brabant ging men, zij het iets later, tot die opvatting over. Sedert 1907, toen de bebossching met Rijksvoorschot aanving, namen Ged. Staten als gewoonte aan geen be-

Sluiten