Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

loren. De neiging om in reclame-geschriften voor ontginning steeds afbeeldingen van de mooiste gebouwen te geven is afkeurenswaardig. Daarin ligt juist een groot gevaar voor mislukking en op zijn best is het dood kapitaal, dat de eigenaar in vele gevallen later weer graag mobiel zou hebben gezien.

Een zeer groot bezwaar dezer tweede wijze van ontginning is ook, dat misoogsten en tegenslag op stal geweldige schokken kunnen veroorzaken.

Deze omstandigheden maakten, dat deze vorm van ontginning eerst een zekeren omvang kreeg in de meest gunstige tijden voor ontginning in de jaren kort voor den wereldoorlog.

Men kan hier gevoegelijk nog onderscheid maken in kleinere (5—20 H.A.) boerenbedrijven en middelgroote (20—50 H.A.). De laatste klasse heeft het voordeel, dat het gebouwenkapitaal minder drukt; daarentegen is de noodzakelijkheid van vreemde arbeidskrachten een bezwaar. Dit soort bedrijven is voor de boeren uit de omgeving meestal ook te groot, daar het aantal onder hen, dat over voldoende kapitaal beschikt, klein is en deze het niet gauw op een ontginning probeeren. Meestal hebben zich op zulke bedrijven vreemdelingen gevestigd, echter zelden met succes. Onbekendheid met de gronden en het milieu en meer nog een onderschatting van het benoodigde bedrijfskapitaal deden de meesten struikelen. Naar gelang der streek, waaruit ze afkomstig waren werd het bedrijf gewoonlijk te eenzijdig opgezet, terwijl voor de omgeving het gemengde bedrijf alleen gewenscht is.

Dit soort bedrijven is dan ook betrekkelijk gering in aantal gebleven en het heeft ook niet veel toekomst. Slechts financieel zeer draagkrachtige boeren, die elders geen bedrijf machtig kunnen worden, kunnen hierop een bestaan zoeken.

Gunstiger kan het oordeel luiden over de kleinere bedrijven van 5_20 H.A. De eigen arbeidskrachten, waarvan het overwerk niet in rekening behoeft te worden gebracht, geven daarin vaak den doorslag. Bovendien zijn neven-bedrijven als varkensfokkerij en kippenhouderij op dit soort bedrijfjes zeer economisch uit te oefenen. In grooten werklust en spaarzaamheid en een uiterst sobere leefwijze worden de moeilijke beginjaren overwonnen en na 10—15 jaren zijn deze boeren er meestal bovenop en kunnen aan uitbreiding gaan denken. Een onontkoombare eisch is echter ook hiervoor, dat het bedrijfskapitaal voldoende is en slechts veel eigen arbeidskrachten kunnen dat

Sluiten