Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132

sturen. In sommige gemeenten waren we in de laatste jaren getuigen van een zeer ongelukkige financieele politiek.

Steeds blijft het gevaar, dat de verkoopsom minder goed besteed wordt. In geen geval mag deze dienen ter bestrijding van de gewone uitgaven, wat een aantasting van het kapitaal zou zijn.

Om dat gevaar uit te sluiten is door sommigen de meening verdedigd, dat Qed. Staten alleen hunne goedkeuring moesten geven aan raadsbesluiten betreffende verkoop van gemeentegronden onder voorwaarde, dat de vrijkomende gelden besteed zouden worden, voor grondverbetering, bebossching, aankoop van enclaves en(of) afronding en uitbreiding van het gemeentelijk grondbezit. De Staatscommissie voor den Landbouw, ingesteld bij K. B. van 20 Juni 1906 kwam tot deze zienswijze, welke ook werd verdedigd door den Inspecteur van het Staatsboschbeheer, op het in 1914 te Apeldoorn gehouden landhuishoudkundig Congres J). Opgemerkt dient te worden, dat het stellen van dergelijke voorwaarden een kunstmatige opdrijving der prijzen van bepaalde- gronden zou veroorzaken, daar de gemeente voor een bepaald bedrag min of meer aangewezen gronden zou moeten koopen. Dit gevaar kan omzeild worden, althans gedeeltelijk, door een fonds te vormen, waaruit alleen bij voorkomende gelegenheden gekocht wordt, terwijl ook de gelden, aangewend voor grondverbetering dat gevaar niet medebrengen.

Toch lijkt het geven van een streng voorschrift in dezen ongewenscht, daar plaatselijke omstandigheden hierin den doorslag moeten geven. Qed. Staten moeten de gemeenten voldoende kennen om te weten wat er van deze te wachten is. Aan een gemeente, die blijk gegeven heeft de ontginning te willen bevorderen, zal men gerust verlof tot verkoop kunnen geven, terwijl in andere gevallen verkoop zal moeten worden geweigerd. Veel kan reeds bereikt worden door Qed. Staten zoo ze een zachten drang uitoefenen in de gewenschte richting.

Ook schijnt het dat Qed. Staten van meening zijn, dat zij niet de bevoegdheden hebben, vergunning onder voorwaarde te geven; dit is althans nooit toegepast.

Prof. Mr. Oppenheim heeft er echter op gewezen, dat daar niet de minste grond voor bestaat en dat z. i. Qed. Staten wel degelijk

1) Tijdschrift van de Nederl. Heide-maatschappij 1915. Afl. 2. p. 88 e.v.

Sluiten