Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX.

Bebossching door de Gemeenten.

De omvang, dien de gemeentelijke boschaanleg kan nemen, blijkt wel uit het -uitgestrekte woeste grond-<bezit der gemeenten. Dit bedroeg volgens het bekende rapport iri 1904, 88.840 H.A., waarvan volgens schatting 48.000 H.A. voor bebossching in aanmerking zouden komen In 1923 werd het voor Noord-Brabant nog op 18.000 H.A. geschat2), terwijl het voor Limburg wel op 7000 H.A. kan gesteld worden.

Elders (zie bldz. 70 e. v.) vermeldden we, dat in de vorige eeuw veel beboscht werd, ook door de gemeenten, zoodat in 1900, volgens een ingesteld onderzoek, in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland 13.407 H.A. gemeentebosschen aanwezig waren ")•

Het nationale boschbezit.

Overwoog tot ongeveer 1898 de ontginning tot bosch verre over die tot bouw- en grasland, nadien keerden de rollen. Volgens J. P. van Lonkhuyzen *), die de verhouding in de jaren 1892—1911 naging, was deze in 1896— 97 als 1 : 0.57 en in 1910 —'11 als 1 : 5.36. Wij berekenden, dat in Noord-Brabant en Limburg samen de verhouding van het aantal hectaren, ontgonnen tot bouw- en grasland, tot die ontgonnen tot bosch, was als volgt5):

1891—95 1 : 8.83

1896—1900 1 : 1.38

1901—05 1 : 0.95

1906—'10 1 : 0.40

1911—'15 1 : 0.16

1916—'20 1 : 0.24

1921—22 1 : 0.25

1923—'24 1 : 0.39

1925 1 : 0.78

1) Tijdschrift van de Nederl. Heidemaatschappij. Jrg. 1915. Afl. 2.

2) Verslag van den tpestand der Provincie Noord-Brabant over 1923. Aanhangsel bldz. 56.

3) Tijdschrift v. d. Ned. Heidemaatschappij. Jrg. 1905. Afl. Tl

4) Gedenkboek der Ned. Heidemaatschappij. De ontginning van gemeentegronden.

5) De cijfers zijn ontleend aan de Verslagen over den Landbouw.

Sluiten