Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

151

merking komen, beboscht worden, dan zouden die aan 2500 arbeiders gedurende 70 dagen in het jaar werk verschaffen, wat zeker van beteekenis is, waar anders voor deze menschen geen productief werk te vinden is. Daarbij komen nog de werkzaamheden van den aanleg, die zeer aanzienlijk zijn en makkelijk zoo kunnen worden geregeld, dat ze in tijden van de ergste werkloosheid vallen.

3°. Sociaal-economische voordeden. Hiertoe rekenen we de aesthetische en hygiënische kwaliteiten van het bosch, die tegenwoordig, door doelmatige exploitatie, b.v. door het onderzaaien van loofhout, zeer kunnen worden verhoogd. De bosschen zullen het vreemdelingenverkeer in het eigen land en de verkiezing dezer streken tot woonplaats zeer bevorderen, wat weder den boer ten goede komt.

Meer en meer wordt ook ingezien, dat het kwijnen van den vogelstand, tengevolge van het kappen van bosschen en houtwallen, ernstige gevolgen voor den landbouw medebrengt. Daarentegen kan het bosch den wildstand vergrooten, maar een goede toepassing der tegenwoordige Jachtwet kan dit bezwaar tot een minimum terugbrengen.

4°. De hydrologische en klimatologische beteekenis. Doordat bosschen den snellen afvoer van het overtollige regenwater tegenhouden en veel water doen verdampen, kunnen zij mede in den gebrekkigen toestand, waarin vele beken en riviertjes, speciaal in Noord-Brabant verkeeren, verlichting brengen. Door het breken der gure winden werken bosschen verder verzachtend op het klimaat.

Zelfs al zou directe rentabiliteit niet altijd verzekerd zijn, dan nog is de vraag, of uitbreiding van het nationale boschbezit is na te streven, bevestigend te beantwoorden, juist om de vele en groote nevenvoordeelen.

De overheid en het bosch.

Op grond van het hier gezegde zijn staat en gemeenten, als dienaren van het algemeen belang, geroepen aan die uitbreiding mede te werken, indien het particulier initiatief tekort schiet.

Reeds constateerden we een afname van het bosch in Nederland sinds 1911 en dat wel ondanks de toenemende bebosschingen door staat en gemeenten. Volgens van Dissel*) werd er van 1903—1912 gemiddeld per jaar 1300 H.A. beboscht, waarvan on-

1) Tijdschrift van de Ned. Heidemaatschappij November 1925, bldz. 366.

Sluiten