Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

157

trokken ook die woeste gemeentegronden, zoo geschikt voor bebossching, telkens weer de aandacht.

In 1907 werd eindelijk hieromtrent een regeeringsvoorstel ingediend bij de Staten-Qeneraal, dat eerst aan het oordeel van Qed. Staten van Gelderland, Noord-Brabant en Limburg en van de Ned. Heidemaatschappij was onderworpen. De inhoud was als volgt*):

„Iedere gemeente, die naar het oordeel van het Staatsboschbeheer een voldoende uitgestrektheid voor bebossching geschikte gronden bezit, kan zich voor het verkrijgen van een renteloos voorschot wenden tot den staat. Eenige gemeenten kunnen zich ook vereenigen en eene zoodanige vereeniging kan mede van staatswege worden aanbevolen.

„De aanvraag wordt door het Staatsboschbeheer onderzocht en de uitslag van dat onderzoek ter kennis van de gemeente gebracht. Is deze uitslag gunstig, dan wordt een ontginningsplan voor de eerstvolgende 10 jaren opgemaakt en het bedrag van het renteloos voorschot bepaald, dat ten hoogste ƒ 120.— per H.A. en niet meer dan 80 pet. der ontginningskosten mag bedragen. Het moet binnen 50 jaar worden teruggegeven. Met goedkeuring van Qed. Staten wordt daarna een contract opgemaakt, waiitój de gemeente zich verbindt:

a) het werk onder staatstoezicht uit te voeren, overeenkomstig het ontginningsplan en de in aansluiting daarmede opgemaakte, door het Staatsboschbeheer goedgekeurde, jaarlijksche werkplannen;

b) met de dagelijksche leiding van het werk te belasten hetzij boschwachters bij het Staatsboschbeheer, hetzij personen, die in overleg met dat beheer worden aangesteld en bezoldigd;

c) de gronden en bebosschingen te stellen onder voortdurend staatstoezicht, geen vellingen te doen, zonder goedvinden van het Staatsboschbeheer en den kaalgeslagen grond weder overeenkomstig een door dit beheer goedgekeurd bedrijfsplan te bebosschen;

d) het voorschot op tijd terug te geven;

e) van de exploitatie eene afzonderlijke rekening te houden, en behalve de kosten der staatsbemoeiing, alle kosten, dus ook van de bezoldiging der boschwachters te dragen."

1) Rapporten en Voorstellen betreffende de ontginning van woeste gronden in Nederland II. bldz. 25.

Sluiten