Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

158

Dit voorstel werd, nadat bij amendement de verkrijging van rentelooze voorschotten ook opengesteld was voor vereenigingen ten algemeenen nutte, overigens ongewijzigd aangenomen bij de staatsbegrooting voor 1907.

Vooreerst zij er op gewezen dat dwang op de gemeenten is uitgesloten, de regeering verwachtte meer van overleg en samenwerking. Dwang zou ook onredelijk zijn tegenover weinig kapitaalkrachtige gemeenten en zou een scherp en dientengevolge duur staatstoezicht noodig maken. Toch waren er in de 2e Kamer wel voorstanders van en ook eene, in 1919 verschenen Nota omtrent de bevordering van den Boschbouw in Nederland door den Staat" van de Ned. Boschbouwvereeniging stond nog op dit standpunt. Het lijkt echter beter voorloopig, met het oog op de geldmiddelen, het beschikbaar personeel, de nog te verkrijgen ervaring en vooral ook een juiste verhouding der ouderdomsklassen, niet tot een geforceerd optreden over te gaan, temeer waar het gevolgde systeem wel succes heeft ).

De steun wordt gegeven niet in den vorm van subsidie, maar van voorschotten, wat altijd een zekere blijvende macht van den staat over bedoelde bosschen insluit en de gemeenten ontheft van de moeilijkheid geld los te maken of te leenen voor de bebossching.

Staatstoezicht op de overige bosschen der gemeente is met ingevoerd. Het leek niet tactisch dit als bezwarende bepaling aan de ontginning met staatshulp te verbinden en het kon veel beter in een afzonderlijke en voor alle gemeenten geldende wet worden ingesteld, zooals dit de Boschwet 1922 deed. Wel worden kleinere geïsoleerde bosschen, gelegen in het te bebosschen terrein, bij het ontginningsplan betrokken; dit geschiedt enkel in het belang der ontginning zelf.

Op verzoek van enkele leden beloofde de Minister de bepalingen, waaronder het rijksvoorschot werd verleend bij K. B. vast te stellen. De geheele regeling is dan ook opgenomen in het K. B. van 27 Juli 1907, No. 76 2). Een paar wijzigingen werden in deze regeling nog aangebracht. Bij K. B. van 14 Jan. 1919 No. 52 2) werd o.a. het maximum-rijksvoorschot gebracht van ƒ 120.— op ƒ 180.—. Het K. B. van 31 Dec. 1920, No. 134 2) verhoogde met ingang van 1 Januari 1921 het voorschot tot ƒ 240.— per H.A.,

1) Enkele beschouwingen in dit en het voorgaande hoofdstuk zijn ontleend aan eene niet gepubliceerde studie van Ir. A. E. Kuhn.

2) Hiervan werd mij afschrift verstrekt door den Directeur van het Staatsboschbeheer.

Sluiten