Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

164

waar ingesloten kleinere perceelen daarvoor meer geschikt zijn.

In art. 4 van het K.B. van 8 November 1916, No. 496l), houdende een Algemeenen Maatregel van Bestuur tot vaststelling der Organisatie van het Staatsboschbeheer, is de werkkring van de bij het technisch beheer aangestelde ambtenaren geregeld overeenkomstig den vroeger feitelijk reeds bestaanden toestand. Tot 1 Januari 1919 moesten de gemeenten alle kosten dragen, waaronder begrepen de bezoldiging der boschwachters. Daarna werd de technische voorlichting gratis. Ook hiervan is de Regeering moeten terugkomen. Een in 1924 ingevoerde regeling, gewijzigd met ingang van 1 Januari 1926, luidt voor wat de technische hulp aan de gemeenten betreft thans in hoofdzaak aldus 2):

A. Voor adviezen en taxaties, die het Staatsboschbeheer verricht voor de gemeenten zullen in rekening worden gebracht de reis- en verblijfkosten van de ambtenaren, die met het plaatselijk onderzoek worden belast, alsmede eene tegemoetkoming in de kosten van het salaris van dat personeel, hetwelk wordt bepaald op een uniform bedrag van ƒ 9.— per dag. Van de Onderlinge Gemeentelijke Boschbrandverzekering wordt uitsluitend eene vergoeding geheven van ƒ 0.08 per H.A. in de verzekering opgenomen boschoppervlakte en per jaar.

B. Voor blijvende voorlichting, ten aanzien van de bebossching met renteloos voorschot en van bosschen, die in het bebosschingsplan zijn opgenomen, is de vergoeding bepaald op 5% der bebosschingskosten, benevens voor het latere toezicht ƒ 0.25 per H.A. en per jaar te rekenen van het begin van het 3de tot en met het 15de jaar na de beplanting en daarna ƒ 1.— per H. A. en per jaar. Voor bosschen, die niet in het bebosschingsplan zijn opgenomen wordt ƒ 6.— per dienstdag in rekening gebracht

Hetgeen in deze regeling was bepaald was niet van toepassing op die gemeenten met welke reeds een contract was afgesloten.

In 1924 was het gevoelen van vele burgemeesters van belanghebbende gemeenten, die op verzoek der redactie van „De R. K. Boerenstand" er hunne meening over mededeelden, dat de gemeenten, die nog geen contract gesloten hadden, niet gemakkelijk meer tot bebossching zouden overgaan. Rijksvoorschot was

1) Zie noot 2) op bldz. 158.

2) Volgens het officieele stuk, waarvan inzage verleend werd door den Directeur van het Staatsboschbeheer.

Sluiten