Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

167

zoo geweest; in werken over ontginning werd reeds vóór 150 jaar op dezelfde gronden de noodzakelijkheid van uitbreiding van den cultuurgrond betoogd, als waarop dat heden ten dage geschiedt. Die omstandigheid en ook het feit, dat de aanzienlijke vermeerdering van het bouw- en grasland in de laatste kwarteeuw de kwaal niet heeft kunnen genezen, doet ons reeds sceptisch staan tegenover de mogelijkheid om door ontginning het gebrek te verhelpen.

De uitgestrektheid van het bouwland, den tuingrond en het grasland samen was als volgt:

1833 1900 1925

Noord-Brabant 248.747 276.151 309.504

Limburg. 115.215 125.168 142.699

Nederland 1.802.147 2.115 559 2.252.615

Voor 1900—1925 bedroeg dus de gemiddelde jaarlijksche vermeerdering in Noord-Brabant 1334 en in Limburg 701 H.A. In 1925 was er in Noord-Brabant nog 84.707 H.A. woeste grond en in Limburg 24.027 H.A. Onder een gunstige conjunctuur zijn daarvan bij den tegenwoordigen stand der ontginningstechniek hoogstens 50.000 respectievelijk 15.000 H.A. tot bouw- en grasland te ontginnen, zonder de grens van het economisch mogelijke te overschrijden. Daaruit volgt, dat, bij een gelijkblijvend ontginningstempo, er nauwelijks voor 40 resp. 30 jaar woeste grond voorradig zou zijn. Daarbij moeten we nog bedenken, dat de behoefte zich voortdurend sterker zal doen gevoelen, naarmate de verhouding tusschen cultuur- en woesten grond zich wijzigt ten voordeele van den eersten.

De mogelijkheid van expansie door ontginning is voor de landbouwende bevolking der beide provincies dus niet groot. Slechts gedurende 30 a 40 jaar kan, hoewel nog zeer onvoldoende, aan de behoefte worden tegemoet gekomen en daarna loopt men geheel vast.

Wel kan nog veel bereikt worden door splitsing der groote ontginningsbedrijven en het ligt m.i. op den weg der overheid en der betrokken organisaties hare aandacht te schenken aan de vraag, hoe dat proces kan worden versneld. Ook kan er nog zeer veel grond worden aangewonnen of verbeterd door regeling der afwatering, vooral in oostelijk Noord-Brabant.

De vermeerdering van het aantal landgebruikers hield in den laatsten tijd geen gelijken tred met den aanwas van cultuur-

9HHH

Sluiten