Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

geweest en dat ook in zijn nalatenschap gevonden is, leest men verder o.a. nog:

„Das wort Jul oder Joel bedeutet Rad, das Rad der Zeit unter welchem man sich das Jahr — altdeutsch Ar — versinnlichte. Auch nannte man das Fest 1) in dieser Beziehung das Weralt-Fest, von Weralt, d.i. Dauer, Zeit, wovon unser Welt entstanden ist."

In 1837 werd van den Helder (C. Over de Linden) uit, via Harlingen (Siderius en Jansen,) aan Dr. E. Verwijs te Leeuwarden een overtrek gezonden van een gedeelte van het later zoo berucht geworden „oudfriesche handschrift," dat in de familie van den eerstgenoemde van geslacht op geslacht vererfd zou zijn Daarbij bevonden zich ook de bladzijden, waarop het volgende voorkomt:

That hyr vnde stat is in ut tha wagar thêre waraburch writen.

RATA** V/VOt STAT (S l(V UT /Ca WAO ap A"t? p { VVAr>A euPcA WRITl Af. , ^ » ~ •••i<V>.'(

AWAT A IP BOTPA STAT «/VD A I Te KAfA lOnf Xht iOL A>T ISXAT tePAAA SIAWf 01 to Ws Al OA.S. AHtOA» T A AffAIr» l'«fAV\ T BlilH WC«t/f TID 86 AA X AT 1% KtMt kl*O0tr Af s ff VO AA I A* a"a t iov aa or oaa aaT Al» An . Aa/va X t X t r t a

Hwat hyr boppa stat send thi têkna fon that jol. That is that forma sinnebild Wr.aldas, ak fon t-anfang jeftha t-bijin, wêrut tid kêm, that is thene Kroder thêr êvg mith that jol mot ommehlapa. Thana heth Frya that standskrift, that ija brukte to hira tex. Tha Fasta êremoder wêre, heth hju-r that run jeftha hlapande skrift fon makad. Ther Witkêning that is Sêkêning, Godfrêiath thent alda hetb thêr asvndergana telnomar fon makad far stand and rvnskrift béde. T-is thêrvmbe navt to drok that wi-r jêrliks ênis fêst vr fyrja. Wy mügon Wr.alda êvg thank to wya that hi sin gast sa herde in vr vsa êthla heth fara lêtn. Vnder hira tid heth Finda ak en skrift utfvnden, men that wêre sa hagfêrande and fvl mith frisla and krolum, that tha after-

1) Bedoeld is: het oudduitsche Julfeest.

kvmanda thêrof thju bitjudnese ring vrlêren have. Afternêi havon hja vs skrift lêred binoma tha Finna, tha Thyrjar and tha Krekalander. Men hja niston navt god, that-et fon et jol makad was and that-et thêrumbe altid skrêven wrde moste mith son om. Thêrby wildon hja that hjara skrift vnlêsbêr skolde wêsa far ora folkum, hwand hja havath altid hêmnesa. Thus to dvande send hja herde fon-a wis rakath, thêrmêtha, that ta barn tha skrifttm hjarar aldrum amper lêsa en müga; dahwile wy vsa alderaldestf skriftun êvin rêd lêsa müga as thêra thêr jester skrêven send.

Hir is that stand skrift, thêrvnder that run skrift, forth tha talnomar a byder wisa.

(Volgt het voorin in deze brochure afgedrukte z.g. letterblad.)

Men behoeft Montanus' werk niet zoo ingaand te bestudeeren als Verwijs gedaan moet hebben toen hij zich indertijd voor zijn promotie voorbereidde, om op te merken, dat er tusschen de hiervoor uit dat werk geciteerde zinsneden en het uit het O. L. B. aangehaalde stuk treffende punten van overeenkomst bestaan.

Welnu, Verwijs heeft daarop nooit iemand opmerkzaam gemaakt, terwijl toch juist die geheimzinnige „têkna fon that joh" met hunne randschriften, en het wonderbaarlijke uit een zesspakig rad gevormde letterschrift tot de meest besproken eigenaardigheden van het gevonden handschrift behoorden.

Wat zou hij hebben kunnen antwoorden, als men hem te eeniger tijd over deze tegenstrijdigheid in zijn houding ondervraagd had?

Dat hij de naïeve afleiding „des alten, ehrlichen Kluvers": Tanfana is uit th'anfang, die hij als onwetenschappelijk uit de aanhaling in zijn stelling IV geschrapt had, maar die in 't O. L. B., geheel volgens het systeem van dat boek om het mal-onmogelijke als op feiten gegrond voor te stellen, weer op de proppen komt, totaal vergeten had? Dat hij van Montanus': „Jul oder Joel bedeutet Rad, das Rad der Zeit," niet meer wist, noch van het jaarlijksche Julf eest, toen hij in 't hem gezonden aftrek van het O. L. B.-handschrift „thi têkna fon that

Sluiten