Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

II.

Pro domo.

Mijn in 1923 in het Friesche weekblad „It Heitelan" in een tamelijk uitgebreid artikel neergelegde meening omtrent de O. L. B.-kwestie — welke meening door Dr. de Jong in zijn werk tot op zekere hoogte wordt gedeeld, doen overigens natuurlijk bestreden, — kwam, kort gevat, op het volgende neer:

De vader van de 0. L. B.-taal is Cornelis Over de Linden. Ook de inhoud is voor een groot deel zijn werk. Taal en inhoud zijn beide caricatureel van aard en strekking. Er is aanvankelijk geschreven zonder bepaald doel; hoofdzakelijk uit. scheppingsdrang. Enkele gedeelten kunnen later geleverd zijn door F. Haverschmidt (Piet Paaltjens) en zeer z e k e r is ten slotte Verwijs opgetreden als medewerker, en wel als de man die verschillende veranderingen en „verbeteringen" aanbracht.

Na een vrij breede opgave van de redenen mijner vaste overtuiging dat Verwijs de hand in 't spel moet gehad hebben, vervolgde ik (ik vertaal uit het Friesch, waarin mijn artikel geschreven was):

„Dat Verwijs in 1867—'68 bij het ter wereld komen van 't O. L. B. de accoucheur was, acht ik voor mijzelf een bewezen zaak, al is dan het „bewijs in rechte" niet te leveren; dat hij niet geheel buiten het auteurschap staat, daarvoor zie ik sterke aanwijzingen. Hij is naar mijn meening de man van de „finishing touch" aan de O. L. B.-t a a 1, en zal ook hier en daar den tekst, wat den inhoud betreft, nog wel wat veranderd of aangevuld hebben, vooral dan zeker bij de „afleidingen."

„Wanneer en op welke wijze hij in de schrijverij betrokken geworden is, is natuurlijk niet uit te maken. Misschien heeft zijn vriend Haverschmidt hem opmerkzaam gemaakt op Over de Linden en diens eigenaardige gaven.

„Toen Verwijs er bij kwam, was er behalve een medewerker of corrector meteen een padwijzer, een man die een vast doel aangaf en deed volgen. Nu ja, ook hij heeft bepaald nog wel aan het werk gearbeid uit aandrift tot scheppen, maar meer dan

Haverschmidt, eninelkgeval meerdanOverdeLinden is hij de man van het bedrogplegen geweest. Wat bij Over de Linden zeker niets anders was dan het volschrijven van het eene cahier voor, het andere na, louter om het genoegen van het scheppen; wat bij Piet Paaltjens, als die meegedaan heeft, op zijn hoogst een behagen-vinden was in het helpen van een in „oerdwealskens" hem verwantengeest, tenminste aanvankelijk niets anders, dat moet bij Verwijs onmiddellijk naast zich gehad hebben een doel dat volslagen beantwoordde aan het werk, — zooals nadien dan ook het werk, nog wat meer dan de voorman zelf voorzien en bedoeld had, en dus wat al te zeer, beantwoord heeft aan het doel.

„Dat doel van Verwijs is niet geweest het bedriegen alleen van Eekhoff, zooals Winkler meende, of alleen van den Leeuwarder Kring, neen, hij, beter dan zijn spitsbroeders op de hoogte met „de ziekte der (taal-) geleerden," heeft tot hun gezegd: „Hoor eens, vrienden, dit werkje is nu wel heel aardig, maar als we het gewoonweg als karikatuur-historische roman laten drukken en verschijnen, doet het niet veel nut, want bijna niemand kan het lezen en wie dat wel

kunnen, hebben geen zin voor humor. Neen, het moet de wereld in op oogenschijnlijk oud papier, en in een bizonder letterschrift, en dit moet er uit vandaan, d a t er bij, en dan moeten we 't laten ontdekken, bij voorbeeld door dien Harlinger schoolmeester Jansen, die ik minder graag lijden mag, of anders, als die er niet invliegt, ontdek

ikzelf het Dan krijgen juist die hee-

ren die van geen humor weten, het in handen om er over te beschikken, en we kunnen eens afwachten hoe de kat uit den boom komt "

„Wie Piet Paaltjens uit zijn werk kent zal wel begrijpen dat die er vrede mee had. En Cornelis Over de juinden? Och, welke autodidakt zou niet graag eens een vakgeleerde er tusschen nemen, vooral als daarbij een geleerde zelf haantje de voorste is?"

Zoo schreef ik in 1923.

Moge het dus, voor zooyer de kwanti-

Sluiten