Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

daar dat ingez. stuk van De Haan Hettema; er zijn foto's, en, last not least, het handschrift, met het letterblad, al heeft hij het voorloopig zelf onder zich en gaat het-straks naar Den Helder terug, blijft toch ook bestaan, en kan elk oogenblik tegen hem getuigen. Toch.... Ottema vervalscht! Vervalscht er lustig

op los En als hij met zijn uitgave

komt, zwijgt ieder en alles. Niemand en

niets getuigt tegen den euveldader

Dat wonder van het zwijgen is nóg ontzaglijker dan de durf van den vervalscher, — en dat wil wat zeggen

Och wat! Er is geen wonder; er was te Leeuwarden destijds in d i t opzicht geen „ziende blind"- en geen „hoorende doofheid.

We hebben uit dit alles maar één gevolgtrekking te maken, zooals ik zei, en dat is deze: Ottema moet voor zijn handelwijze een reden gehad hebben, die voor hem afdoende was, en die al die anderen kenden en öf billijkten öf althans moeielijk bestrijdbaar geacht hebben. Wat Ottema deed, m o e t hij openlijk gedaan hebben; 't was een soort bravourstukje, waarmede hij ieder die wat in te brengen zou hebben over dat runschrift, trotseerde. Voor de vermoedens omtrent werken met valsche foto's en doen verdwijnen van echte (om die zelf, nota bene, later weer na te laten aan 't Friesch Genootschap!) is absoluut geen grond. Het feit dat zoovele mannen uit die dagen in staat moeten zijn geweest de „vervalsching" te constateeren, en er toch over zwegen en bleven zwijgen, is afdoende. Ottema's reden moet zóó geweest zijn, dat daardoor de anderen de overtuiging hadden verkregen, dat het runschrift van het letterblad niet meer als deugdelijk wapen in den strijd tegen de echtheid in aanmerking kon komen.

Vermoedelijk is zijn redeneering ongeveer aldus geweest:

„De Haan Hettema heeft gelijk: het runschrift op het letterblad kan niet ouder dan een paar eeuwen zijn. Welnu, vast staat, dat het handschrift echt is, en

dus moet Hidde Oera Linda in 1266,

of misschien reeds Liko Ovira Linda in 803 vergeten hebben, achter het woord „run" het runschrift in te vullen, en een

der bezitters van het handschrift uit het laatste paar eeuwen moet op de ledige plaatsen de teekens die er thans staan, aangebracht hebben. Dit is nog bovendien waarschijnlijk om de volgende redenen:

lo. Het standschrift is, zooals het O. L. B. ons leert, door Frya gemaakt en gebruikt om er haar tex in te geven. Het is om zoo te zeggen een oud, heilig erfstuk, herkomstig van een godin, en ons overgeleverd opdat we zullen weten hoe we aan schrijfteekens gekomen zijn. Fasta, de eeremoeder, maakte er later het runschrift van, — zie alweer het O. L. B., — en dat is sedertdien de schrijfletter voor gewone stervelingen, waarin ook het O. L. B. vervat is. Het is het standschrift in kleiner bestek, en niet in het rad langs velg en spaken getrokken, doch uit de vrije hand geschreven.

2o. Het is bewijsbaar, dat die moderne teekens op het letterblad een jongere toevoeging zijn. Let maar eens op het onderaan aangebrachte „forma sinnebild Wr.aldas," dat natuurlijk bij het standschrift behoort, om te laten zien, waarop gronddenkbeeld en vorm daarvan berusten. Deze cirkel, met zijn randschrift, valt ver over de lijn waarop dat moderne schrift staat; hij moet door den schrijver getrokken zijn toen het runschrift er nog niet stond, ander had hij hem wel lager geplaatst of, als dat om de ruimte niet kon, kleiner gemaakt; aan een bepaalde doorsnee-lengte was hij n.1. niet gebonden. Ook later heeft hij het aanbrengen van het runschrift vergeten; zooals hij ook vergat aan te brengen de standletter voor g s, welke fout ik meteen ook maar hersteld heb

Aldus zal, stel ik me voor, Ottema gesproken hebben als hij zich met zijn kennissen over 't handschrift onderhield.

Zeker, die redeneering is zooals

ze is. Maar ze past volkomen in den mond van Ottema, die nu eenmaal overtuigd was van de echtheid van het O. L. B., — en die wel veel vaker getracht heeft die echtheid te bewijzen met aanhalingen uit, of betoogen gegrond op, het O. L. B. zelf; een soort van bewijsvoering trouwens, welker naïveteit slechts overtroffen wordt door hare veelvuldigheid in sommige kringen van geleerden en ongeleerden. Ten slotte is ze in

Sluiten