Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

dit bijzonder geval ook nog zoo onzinnig niet. De wijze waarop in den tekst van het O. L. B. over stand- en runschrift gesproken wordt (Ottema's uitgave, blz. 64) wekt inderdaad den indruk, dat het handschrift wel daarmee geschreven zal zijn; het verrast, dat men dan op het letterblad een geheel ander soort letter als runschrift aangegeven ziet. Vermoedelijk hebben we hier te doen met een gril van Verwijs, die bij de al overtalrijke bewijzen van onechtheid er nog een extra-gedurfde wilde voegen. Dat die z.g. runletters later ingevuld waren, dan het rad op den voet van het blad heb ook ik, nadat ik Dr. de Jongs reproductie gezien had, een tijdlang gemeend, om de reden die ik hierboven hypotethisch Ottema in den mond leg. Een nauwkeuriger beschouwing heeft mij echter overtuigd, dat ik het mis had. De letters van het randschrift, den naam Wralda vormend, staan juist midden tusschen twee spaken, alleen de A en de W bovenaan niet; die hebben klaarblijkelijk beide rechts moeten wijken voor de 1 en de g van het runschrift, —- die er dus al stonden vóór het rad, althans voor het randschrift daarvan aangebracht werd.

Goed te praten is het natuurlijk niet, dat Dr. Ottema zich zooveel vrijheid veroorloofde met wat hij dan toch maar een facsimile bleef noemen. Men kan zeker ook wel wat op rekening schrijven van zijn. zonderlingheid, — want een zonderling man m o e t hij geweest zijn, anders was hij er, met zijn toch ongetwijfeld tamelijk breede algemeene ontwikkeling, zoo erg niet ingevlogen. Het is evenwel mijn stellige overtuiging, dat van een vervalsching, in den zin waarin dat woord gewoonlijk gebezigd wordt en waarin ook Dr. de Jong het, blijkens zijn opmerkingen over de fotografe, het negatief en de foto's, bezigt, niet mag gesproken worden.

Mochten er nog zijn die zich er ook nu nog over blijven verwonderen, dat er destijds in 't geheel niet over het verschil tusschen het letterblad en Ottema's facsimile geschreven is in boek, tijdschrift en courant, dan wil ik er hunne aandacht op vestigen, dat er in die dagen, zooals ook vanzelf spreekt, heel wat meer mondelinge dan schriftelijke ge-

dachtenwisseling over 't O. L. B. moet hebben plaatsgehad tusschen de menschen die zich met de zaak bezig hielden. En hoe weet Dr. de Jong, dat er bij „de latere debatten in het Friesch Genootschap of elders" nooit van Hettema's schriftkundige critiek gewag gemaakt is? Volgens hem zelf, (ter andere plaatse in zijn werk,) bestaan er immers geen notulen van het verhandelde op die vergaderingen?

Hiermede laat ik verder „Ottema's vervalsching" rusten. Het meer raadselen dan dit eene verbergende runschrift komt zoo dadelijk echter nog weer op de proppen.

IV.

Eilers' handschrift.

Toen Dr. de Jong de overtuiging verkreeg, dat C. over de Linden in geenerlei opzicht Verwijs heeft kunnen helpen, omdat hijzelf tot de bedrogenen behoorde — over de gronden dezer overtuiging en wat er tegen in te brengen is, later! — ging hij zich afvragen, wie dan wel voor den laatste het in gewoon schrift gereedliggende werk overgeschreven, of liever overgeteekend, kan hebben op oud gemaakt papier en in het O. L. B.-schrift Dat Verwijs dit geduldswerkje zelf verricht zou hebben, kan hij niet gelooven.

Hij zocht nu, en dit is begrijpelijk, in de naaste omgeving van Verwijs. En hij vond Harmen Eilers, de toenmalige amanuensis aan de Prov. Bibl. en het Archief; Verwijs' ondergeschikte dus. Deze Eilers had zijn che,f al eerder belangrijke diensten bewezen door het overschrijven van talrijke rekeningen der grafelijkheid van Holland; Verwijs deelt dit mede in de voorrede van „De Oorlogen van Hertog Albrecht met de Friezen." Een vergelijking van Eilers' handschrift met het betrekkelijkerwijze zoo moderne runschrift op het letterblad van het O. L. B. leerde, dat het laatste zeer veel overeenkomst vertoonde met het eerste, en dit gaf Dr. de Jong de overtuiging, zoo zegt hij, dat hij hier inderdaad de gezochte technische medewerker voor zich had. Hij aarzelt echter niet om uit te spreken wat hem op gronden die hij niet nader aanduidt, doch die licht te bevroeden

Sluiten