Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

zijn, noodzakelijk voorkomt als waarheid te aanvaarden: dat Eilers niet het minste besef gehad heeft van het doel van zijn langademigen arbeid. „Natuurlijk^" aldus Dr. de Jong op blz. 196 van zijn werk, „is hem de strengste geheimhouding opgelegd. Overzicht van zijn werk zal hij nooit gehad hebben. Verwijs heeft hem de copie bij stukjes gegeven en het resultaat van zijn werk bij stukjes van hem overgenomen. Wat dat beteekent zal de' hedendaagse lezer nu eindelijk wel bereid zijn te erkennen. Natuurlijk heeft Verwijs hem het een of ander op de mouw gespeld, b.v. dat hij copie genomen had van een zeer oud handschrift, in vreemde lettervorm; dat de eigenaar copie wenste, geheel gelijkvormig met het oorspronkelijke en zich tot hem gewend had met het verzoek voor de uitvoering zorg te willen dragen."

Met deze onderstelling is Dr. de Jong, dunkt mij, al bijzonder ongelukkig. Het is in de verste verte niet mogelijk, van een handschrift, dat men nooit gezien heeft, een ook maar ten naasten bij gelijkvormige copie te maken, al krijgt men de lettervorm opgegeven. Met den regelinhoud van 't origineele handschrift en de copie zou 't al dadelijk niet kloppen; daardoor ook niet met den bladzijdeinhoud; fouten en verbeteringen in 't eerste zouden in 't tweede niet te vinden zijn, daarentegen zou dit fouten en verbeteringen te zien geven die men in 't eerste vruchteloos zou zoeken. En zoo is er natuurlijk veel, véél meer.

Kortom, gesteld dat Eilers werkelijk dit of een dergelijk rad voor oogen gedraaid kreeg, dan moet hij toch dadelijk door de spaken heen hebben kunnen kijken, — zóó snel, dat alle doorzicht zijn amanuensis benomen werd, kón Verwijs het niet doen wentelen. Want nu ja, Dr. de Jong stelt ons Eilers wel voor als iemand die niet hoog timmerde, maar 's mans stupiditeit heeft toch zeker ook wel grenzen gehad. Hij wist, uiteraard, iets meer dan de meeste menschen van handschriften en van den bereikbaren graad van getrouwheid bij copieerwerk, moet dus in zulke zaken minder spoedig te „nemen" zijn geweest dan de eerste de beste.

Al houdt men echter met Dr. de Jong het bijna onmogelijke voor waar : n.1. dat

Eilers „niet het minste besef gehad heeft van zijn langademige arbeid," dan blijft toch dit, dat Verwijs wel moet geweten hebben zich in hem een blinden medewerker te hebben verschaft, die ziende, en dus een voortdurende bedreiging zou worden zoodra de O. L. B.-komedie in scène gezet werd.

Maar Dr. de Jong neemt blijkbaar aan, dat Verwijs speculeerde op Eilers' vrees dat hij, bij openbaring van het geheim, als medeplichtige aangemerkt en daarnaar behandeld zou worden.

„Toen er van die vreemde geruchten gehoord werden," zoo schrijft hij, „ toen moet zich menigmaal een beangstigend gevoel van hem meester gemaakt hebben.

„Hij was alleen gebleven 1) met een geheim, waarvan de betekenis, althans het gewicht, hem hoe langer hoe meer bezwaarde.

„Zich ontlasten kon hij niet. Niet alleen dat hij dan een belofte moest schenden — wellicht stond hij ónder ede — het zou hem zijn ambt, in ieder geval zijn ambtseer kosten.

„Wie zou hem geloven, als hij verklaarde door Dr. Verwijs bedrogen te zijn?"

Nu, iedereen, zou ik zoo zeggen, als Eilers tenminste zoo'n stakkerd was als Dr. de Jong hem zich voorstelt, blijkens wat wij nog veider over den man lezen in diens boek. Hij verloor in later jaren zijn geestelijk evenwicht, leed min of meer aan vervolgingsvrees, en heeft op hoogen leeftijd door een wanhoopsdaad een eind aan zijn leven gemaakt. Dr. de Jong houdt het, zegt hij, voor zeker, dat E. door het geheim dat hij met zich om te dragen had diep geschokt is, en het tot zijn aftakeling heeft bijgedragen.

Door een kleinzoon van Eilers, ir. H. Eilers te 's Gravenhage, is aan Dr. de Jong medegedeeld, dat zijn grootvader zich bij de benoeming van een archivaris (vermoedelijk na het vertrek van VerWijs,) voorbijgegaan achtte, daar het ambt hem stellig beloofd was. „Door wie," zoo vraagt Dr. de Jong, „was Eilers het archivarisambt toegezegd?" En hij vervolgt: „Wij blijven vra-

1) Verwijs zat toen n.1. al „hoog en droog" te Leiden. — Hof,

Sluiten