Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17

Bij de aanschouwing van Eilers' handschrift, waarvan hij in zijn werk een proeve geeft, schrijft Dr. de Jong: „Ieder zal terstond opmerken, dat Eilers calligraaf is, in dien zin n.1., dat hij neiging heeft, om alles wat uit zijn handen komt, een calligrafies uiterlijk te geven."

Zoo is het inderdaad. Eilers' schrift is zeldzaam mooi en regelmatig.

Welnu, het runschrift is zeker wel met een goede en vaste hand géschreven, maar ook na in aanmerking genomen te hebben, dat het lettertype afwijkt van het gewone en dus van den schrijver nateekenen vergde, inplaats van dat hij maar raak schrijven kon, voorts, dat het papier misschien al vóór het beschreven werd, geprepareerd was, en er dus wel moeielijker op te schrijven zal geweest zijn dan op gewoon goed schrijfpapier, kan ik nog niet zeggen, dat vastheid en sierlijkheid er van overigens vrijwel aan diezelfde eigenschappen van Eilers' schrift gelijk zijn. Evenwel, — erkend moet worden, dat er toch niet veel verschil is, zoo al eenig.

Maar kijk nu dat stand schrift op 't letterblad ook eens goed aan! Is dat calligrafenwerk? De cirkels en de doorsneelijnen zijn go^d getrokken, — daar konden passer en liniaal bij gebruikt. Maar de letters! Zie de ongelijke dikte, de schutterige randen, — er zijn er bij, b.v. de beide E's, de B, de D, de G, de S, de C, die eerder met een gepunt lucifershoutje, dan met een pen getrokken schijnen. Een paar inktvlakjes heeft, men op den koop toe. Kortom, de inteekening van het standschrift in de cirkels is tamelijk stuntelig gebeurd.

't Is zoo goed als uitgesloten, dat de keurig schrijvende Eilers daaraan handdadig geweest is.

Op de vraag: als 't Eilers niet geweest is, die het oorspronkelijke O. L. B.-handschrift „vp wrlandisk pampyer" overschreef, wie dan wel? kan ik geen beslist antwoord geven. Mijn sterke vermoedens blijven gaan in de richting van Cornelis Over de Linden, zooals men later zal zien. Wat het letterblad betreft* herhaal ik, wat ieder wel met mij eens zal moeten zijn: dat Verwijs 't prototype geleverd heeft, en ik voeg er nu bij: misschien is op het blad het runschrift door hem zelf ingevuld. Dr. de Jong

vindt er (sterk, meent hij; zwakjes, vind ik,) Eilers' habitus in terug, — welnu, ik, in ongeveer gelijke mate (dus ook zwak, en daarom geef ik maar geen bijzonderheden,) dien van Verwijs.

V.

Briefwisseling Over de Linden—Verwijs.

Na nauwlettende bestudeering van de talrijke door C. Over de Linden in cahiers nagelaten geschriften, waarvan hem inzage werd verleend door de familie, en na vergelijking van inhoud en tijd van ontstaan met die van het O. L. B., moest Dr. de Jong tot de conclusie komen, dat Verwijs bij het schrijven van dit werk gebruik gemaakt heeft van Over de Linden's „Geschriften van Jonathan," althans van het opstel genaamd Boeddha.

Na dit medegedeeld te hebben, gaat hij voort (blz. 338—339):

„We vinden ons nu echter terstond voor nieuwe en zeer eigenaardige vragen geplaatst: Hoe moeten we ons de verhouding tussen Verwijs en Over de Linden denken? Hebben zij samengewerkt? Was het O. L. B. een doorgestoken kaart? Zoo ja, dan belanden wij min of meer bij de hypothese van Hof, die wel is waar Over de Linden voor den schrijver houdt, maar bij wie toch ook Verwijs, zij het slechts als correctieve instantie, optreedt.

„Hoe schijnbaar voor de hand liggend deze onderstelling ook mag zijn, zij is onjuist....

„ hoe zonderling het ook moge

schijnen, er bestaat geen enkele andere mogelijkheid dan deze: eenpersoonlij k e verbinding tussen Over de Linden en Verwijs — onmisbaar niet alleen voor actieve, maar zelfs voor passieve medewerking van de eerste aan hetwerkvande laatste, — heeft niet bestaan.

„Pas nadat het O. L. B. uit het duister in het licht kwam, niet eerder dan in October 1867, zijn ze met elkaar in aanraking gekomen."

Deze vaste overtuiging grondt Dr. de Jong op het volgende feit.

In Juni 1867 werd Verwijs „verrast" door den heer Jansen, hoofd eener school te Harlingen, met een stel overtrekken,

Sluiten