Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

hiervoor uit zijn werk, — blijkbaar a priori, dat wil dus zeggen: voor alle denkbare gevallen, stelt, dat twee personen die actief medegewerkt hebben aan de totstand k o m i n g van zeker werk, met elkaar in eenigerlei persoonlijke verbinding, zij 't ook slechts die van 't van-elkaar s-m e d e w e rk i n g-w eten, moeten gestaan hebben.

Het is zeer wel mogelijk, dat Over de Linden actief en in sterke mate medegewerkt heeft aan de totstandkoming van het handschrift, ook aan den laatsten, ons bewaard gebleven, vorm er van, zonder ooit Verwijs persoonlijk of ook maar bij name gekend te hebben; sterker nog: zonder ooit te hebben geweten dat hij, Over de Linden, een hem onbekenden medewerker had.

Ik ben er zeker van dat de scherpzinnige schrijver van „Het geheim van het Oera-Linda-Boek" onmiddellijk beamen zal, dat zoodanige samenwerking in 't algemeen mogelijk is, al zal hij ze misschien voor 't O. L. B. niet willen aannemen. En natuurlijk weet hij ook al dadelijk wat ik hier in mijn schild voer.

Het is niet alléén om mijn overige, waarschijnlijk minder goed in de 0. L. B.-geschiedenis thuis zijnde, lezers wat tijd voor overpeinzingen te laten, dat ik hierover voorloopig verder zwijg. Ook voor de helderheid van mijn betoog is het beter, dat ik nu eerst over andere dingen spreek.

VI.

Dr. de Jongs hypothese.

Als Verwijs alléén de schrijver van het 0. L. B. is geweest, en Over de Linden hiervan niets wist noch ooit met zekerheid geweten heeft, hoe heeft de Friesche archivaris het dan klaargespeeld zijn koekoeksei te leggen in het familienest der Over de Lindens aan Den Helder? Hoe verkreeg hij 't vertrouwen, dat het daarin wel uitgebroed zou worden?

Daar elke feitelijke aanwijzing omtrent de manier waarop dit gegaan kan

zijn, ontbreekt, was Dr. de Jong genoodzaakt, zijn hypothese grootendeels te gronden op psychologische gevolgtrekkingen.

Van 1862—1864 was Ds. F. Haverschmidt (Piet Paaltjens,) academievriend van Vérwijs en ook later nog in vriendschap met dezen verbonden, predikant te Den Helder. Hij, Haverschmidt, had daar omgang met den heer C. Sipkens, onderwijzer, tevens diaken van Haverschmidf s gemeente. Sipkens was net als Haverschmidt een Leeuwarder van herkomst, dit zal tot den min of meer vriendschappelijken omgang bijgedragen hebben.

Sipkens had zich omstreeks 1855 te Den Helder gevestigd. Hij kwam daar in aanraking met baas Over de Linden. Hoe nauw die was, is niet uit te maken, doch verschillende feiten wijzen op de waarschijnlijkheid, dat hij den zonderlingen man van vrij nabij kende, en van diens liefhebberijen, vooral van zijn geschriften, nog al iets afwist. Zelfs is zeer wel mogelijk, dat hij het was tot wien Over de Linden zich vÖór 1867 wendde, om die geschriften van taalfouten te zuiveren. (Na 1867 was dat het Heldersche schoolhoofd Jansen, niet te verwarren met het Harlinger schoolhoofd van denzelfden naam, die de eerste overtrekken van 't O. L. B. ontving.)

Deze heer Sipkens heeft in 1876 aan Beckering Vinckers, of liever aan diens medewerker Berk, verklaard:

„In 1860 heb ik 't handschrift gezien. Over de Linden vertoonde het mij, én vroeg of ik het lezen kon. Hij vertelde er bij, dat het over zijn voorouders handelde, die de streken in bezit hadden gehad in de buurt van de Linde in Frieëland. Hij las eenige woorden, enkele zinnen. Hij verstond mijn Friesch tamelijk goed."

Dr. de Jong neemt natuurlijk aan, dat Sipkens destijds gelogen heeft, en wel bepaaldelijk, om Verwijs en Haverschmidt, die immers in 1876 al openlijk onder verdenking stonden, te dekken.

Wist Sipkens dan ?

Ja, volgens Dr. de Jongs hypothese. Hij veronderstelt, dat Verwijs in 1864 zijn vriend Haverschmidt een bezoek gebracht heeft, en in de pastorie kennis maakte met Sipkens. Deze zal hem toen

Sluiten