Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23

zitten. En ik beweer ook, dat nergens in zijn boek Dr. de Jong genoegzame gronden aanvoert, om den man zoo laag te stellen als hij doet, — onder dwang van zijn rotsvaste meening, dat Verwijs- I alleen de O. L. B.-man is, wel doen moet. ,

En wat maakt Dr. de Jong uit gelijken hoofde van dezen? Niets beters. Verwijs treedt af en toe als een vrij domme, en gedurig als een slechte (ik bedoel: slecht-geaarde) conspirator uit Dr. de Jongs werk te voorschijn, iemand wien eigenlijk geen laagheid te erg is, als hij maar zijn doel bereikt. De schrijver zegt dat niet, ziet het klaarblijkelijk ook zoo niet in, maar 't volgt nu eenmaal uit zijn voorstelling.

We hebben gezien, dat volgens hem, de O. L. B.-zorgen wel bijgedragen zullen hebben tot aftakeling van Eilers. Van Over de Linden, die in 1874 vrij plotseling overleed, zegt hij: „Het was zijn huisgenooten niet ontgaan, dat er in den laatsten tijd zijns levens iets geweest was, dat hem hinderde. Men meende, althans zijn kleinkinderen, en mogelijk ook zijn kinderen, wisten niet beter, of moeilijkheden op de werf waren daar de schuld van. Ik geloof het niét. Alles bijeen genomen, komt het mij hoogstwaarschijnlijk voor, dat de zoo sterke en arbeidzame man, die nimmer door ziekte gekweld was, aan het O. L. B. gestorven is." (blz. 316.)

Dat zouden dan al twee menschen zijn, wier leven Verwijs door zijn arglist verwoest had. Dit wil natuurlijk nog niet zeggen, dat hij zulke gevolgen had kunnen voorzien, maar 't is en blijft toch erg genoeg. En achteraf, in 1877, neemt hij de houding aan, alsof de toen al overleden Over de Linden hem, Verwijs, had bedrogen, en hij spot in

den Spectator: „ ik leg een krans op

het graf van dien verren achterneef van den Vader der logenen, dien aartsguit!" Een van beiden: Verwijs was

plat en gemeen, daar! door, volkomen noodeloos, zoo te schrijven over een nog maar pas overledene, dien hij bedrogen en de laatste jaren van zijn leven, zooals hij dan zeer beslist moet geVoeld hebben, in elk geval sterk veronaangenaamd had, — oferisvangeenbedrog als hier bedoeld tusschen die twee sprake ge¬

weest en Over de Linden hee't minstens evenveel aandeel aan wording en verschijning van'tO. L. B. gehad alsdeFriesche archivaris.

Vaststaat, dat Verwijs al eerder, klaarblijkelijk om de aandacht van zichzelf af te leiden, op Over de Linden als de schrijver en bedrieger gezinspeeld had. 't Was in 1876, toen hij zich genoodzaakt zag, per ingez. stuk in de Groninger Courant mede te deelen dat h ij „part noch deel (had) aan de vervaardiging van dit veel gerucht makende boek." Hij vermeldde er bij, dat, naar een bewoner van den Helder hem en anderen gezegd had, de schuldige ontdekt was, en binnenkort de geheele geschiedenis aan het licht zou komen. „Die onthulling," zoo schrijft Verwijs, en, let wel, er was nog geen naam genoemd, en Beckering Vinckers' brochure, waarin O. de L. als de schrijver aangewezen werd, (en waarvan dat Heldersche praatje als voorlooper te beschouwen is,) kwam pas in 1877 uit, „die onthulüng maakt mijne verklaring eigenlijk geheel onnoodig, (doch ik) eindig met den wensch, dat ons aller ongeduld niet lang op de proef moge worden gesteld, en wij spoedig den naam van den snaak mogen vernemen, die zich bij zijn leven reeds heeft verkneukeld en zich nu zeker vaak in zijn graf zal omkeeren van pleizier over zijn zoo prachtig gelukt letterkundig bedrog. Ik zou in staat zijn den ondeugenden schalk te benijden, doch hij ligt onder de groene zode, terwijl ik gelukkig nog vol levenslust „die Freude des Daseins" geniet."

Hij moet dus den naam van den bedrieger nog te hooren krijgen, of althans was die nog niet openlijk genoemd; en hij spreekt toch al van een doode als de dader. Conclusie: hij wees Over de Linden al uit eigen „overtuiging" aan, terwijl diens naam nog maar gefluisterd werd, en Beckering Vinckers zijn betoog nog in de pen had.

Deze aanwijzing van Over de Linden, door Verwijs, (men bedenke, hoe gemakkelijk de laatste geloofd zou worden,

en geloofd i s, omdat hij hier immers

de rol van gedupeerde op zich nam, wat niemand graag doet,) wordt gematigd-

Sluiten