Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

is het duidelijk, dat hij met dat spelen van den totaal-onkundige eigen kennis van Friesch vóór 1867 verbergen wilde.

Directe aanwijzingen dat Over de Linden zich vóór 1867 met de studie van 't Friesch bezig gehouden heelt, zijn er overigens bijna niet. Zekere Govers, die sedert 1857 bij Over de Linden op 't kantoor was, heeft in 1876 aan Berk verklaard, wel eens gezien te hebben dat zijn chef een of ander boek over 't Oudfa iesch voor zich had. In Beckering Vinckers' Brochure „Wie heeft het Oera Linda boek geschreven?" wordt op blz. 59 medegedeeld, dat volgens het schoolhoofd Dekker, te Den Helder, Over de Linden reeds kort na 1840, volgens den heer Munnik, (getrouwd met een stiefdochter van Over de Linden,) kort na 18*5 met de studie van 't Oudfriesch begonnen was. Over de Lindens tweede zoon L. F. Over de Linden, die na zijn dood erfgenaam van de familiepapieren werd, schrijft in zijn brochure „Beweerd, maar niet beTezen" op blz 33, dat Lij en zijn broers wel wisten van de studie in de Oudfriesche taal, doch dat zij met de vordering huns vaders daarin niet bekend wamn. Hij moet hier op studie vóór 1867 doelen, omdat hij geloofde, althans beweerde te gelooven, aan de waarheid der mededeeling zijns vaders, dat deze in 1848 het handschrift geërfd en zich toen dadelijk het noodige studie* materiaal om het te leeren ontcijferen aangeschaft had.

Maar al deze getuigenissen zijn afgelegd in zoodanige omstandigheden, dat men er niet al te vast op bouwen mag.

Voorts is daar natuurlijk het door Dr. de Jong voor gelogen verklaarde getuigenis van Sipkens, dat hij in 1860 het handschrift had gezien, dat Over de Linden eenige woorden, enkele zinnen, las, en dat hij Sipkens' Friesch tamelijk goed verstond. I k heb geen reden, dit getuigenis voor gelogen te houden, al zal wat Sipkens zag, wel niet het handschrift geweest zijn. Maar ook als 't waar is, valt er nog niet uit op te maken, dat Over de Linden Oudfriesch bestudeerd had, en er iets van wist. Het is dan ook meer op grond van Over de Lindens zonderlinge houding* en omdat het mij, gelet op de feiten, waarschijnlijker voorkomt, dat hij zich zijn Friesche bibüo-:

theek aangeschaft heeft vóór 1867 in plaats van daarna, dan wegens deze zwakke getuigenissen, dat ik dit aanneem. Natuurlijk oefent ook het feit, dat ik zoo duidelijk zijn hand zie in het O. L. B., invloed op mijn meening uit, maar ik geloof toch dat ik, ook als daarvan niets bleek, tot gelijke conclusie zou komen.

En nu nog de vraag öf Over de Linden, als hij dan Oudfriesch bestudeerd heeft vóór 1867, daardoor, in aanmerking genomen den graad van zijn algemeene, maar vooral van zijn taalkundige ontwikkeling, in staat kan geweest zijn een soort taal saam te brabbelen die wel iets van Oudfriesch wegbad, en later tot onderbouw van het voor taalkundigen zoo vermakelijk Oera Lindaboeksch heeft kunnen dienen. Want daarop komt het voor mijn betoog aan. Reeds in 1923 heb ik als mijn meening uitgesproken, dat hef O. L. B. tal van malle afleidingen en suggesties daarvan bevat, alsook nog andere fraaie uitvindingen op taalkundig gebied, die een heel wat grootere mate van algemeene kennis der taalstructuur verraden, dan waarvoor we Over de Linden mógen aanslaan.

Over de Linden bezat geen aanleg voor taalkundige in den engeren zin des woords. In zijd Nederlandsen maakte hij nog al wat taalfouten, die bij een man van zijn ontwikkeling niet behoeven voor te komen. Den aard dezer fouten omschrijft Dr. de Jong niet geheel juist, als hij op blz. 310 van zijn werk zegt, dat O. de L. in hoofdzaak zondigt tegen een schrijfwijze die geen steun vindt in zijn uitspraak, en daarbij de volgende voorbeelden geeft: h a d t (3de pers.), de tuin (ace.), Chinees (bijv. nw.j, Phonischies (bijv. nw.), naderd e (mv.); antwoord e, argivaris, faxcimiles, genoodschap, strekte (mv.), F r iesch 1 and, verplaast, buitegewone, b ij gelovige, brittan ia, speculeren, Napoliön, gekwesten, Egiptenaren. In onderscheidene daarvan zondigt O. de L. immers juist tegen een schrijfwijze, die wèl steun vindt in zijn uitspraak (b.v. met Phonischies, genoodschap, Frieschland). De beide zoo uiteenloopende verschijnsels gaan echter gewoonlijk wel samen, en spruiten voort

Sluiten