Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30

uit wat Dr. de Jong (blz. 311) terecht aanduidt als een ernstig gebrek in de visueele woordbeeldvorming; alleen maar dient er bij opgemerkt, dat de tweede soort fouten, voor zoover daarbij niet te denken is aan analogie (b.v. Friesch-: land, want Duitsehland,) gewoonlijk voortvloeit uit een, helaas door grammaticale onkunde sterk gehandicapte, neiging tot grammaticaal juist schrijven.

Beckering Vinckers moge zich in 1877 een weinig vergaloppeerd hebben, toen hij b.v. het schrijven van thene Magy (ace.) voor „t h i Magy (nom.) geheel op één lijn stelde met het schrijven van den voor de, Dr. de Jong maakt evenzeer een al te wilden sprong, waar hij alle verband tusschen beide fouten ontkent. Bij Over de Linden zoowel als bij de meesten die niet bij intuïtie taalkundig-juist schrijven en wien 't aan voldoende kennis der grammatica ontbreekt, treft men de neiging aan om, (vooral bij inversie,) een accusativus in de plaats van een nominativus te plaatsen, en dat niet alleen visuéel, maar ook auditief, d.w.z.: ze schrijven de n niet alleen, doch spreken die soms ook, als ze zich eens in 't bizonder „zooals 't hoort" willen uitdrukken, in redevoeringen dus b.v. Bovendien zal Dr. de Jong het wel met mij eens zijn dat het ook bij een HollandeT, al doet hij zelfs bij lezen de n van toonlooze uitgangen niet hooren, toch vaak wèl tot i n n e r 1 ij k-auditieve voorstelling er van komt, als hij schrijft.

En vergelijk nu maar eens Over de Lindens „zei den heer Siderius," „schreef den heer Siderius," „gedurende dat den heer Siderius," enz. met het Oera Lindabceksche „Tha thêne Magy that anda nös kryg" e.d. Hoe Dr. de Jong er dan ook toe komen kan, te -zeggen, dat het foutenargument zich eigenlijk tegen Beckering Vinckers keert, want dat er in het O. L. B van eenige neiging tot het maken van fouten als die van Over de Linden geen spoor te ontdekken is, is mij een raadsel. Ik toonde in 1923 in It Heitelan reeds aan van wel, en zal dat straks nog wel wat beter doen.

Ik betwijfel voorts, gelet op Dr. de Jongs redeneering op blz. 310—311 van zijn werk, of hij zich wel een juist begrip vormt van het audöieve beeld dat zich van 't Oudfriesch in Over de Lindens

voorstelling moet ontwikkeld hebben. Vrij zeker was dat n.1. bijna gelijk aan het visueele, opgenomen naar de klankwaarde die de teekens in 't Neder1 a n d s c h hebben. M.a.w.: Over de Linden las het Oudfriesch „zooals 't er staat," zou een leek op taalkundig gebied zeggen. Dr. de Jong meent, dat Over de Linden, als Beckering Vinckers het met zijn foutentheorie bij 't rechte eind had, in 't O. L. B. ook fouten had moeten maken als t h e n n e voor thene, Maggy voor Magy. Zeker, als de vocalen in die woorden voor hèm kort geweest zijn, maar dat is waarschijnlijk niet zoo. En het uitgebreid stelsel van kwantiteitsaanduiding in 't O. L. B. dan, zal men vragen. Wel, dat hebben we aan Verwijs te danken, reeds omdat hij de uitvinder van 't zoo (quasi-) nauwkeurig kwaliteit en kwantiteit weergevende letterschrift is. Trouwens, juist in 't O. L. B. zelf is 't bewijs te vinden van wat ik zooeven zei: in de kwantiteits-aanduiding worden alle oogenblikken fouten gemaakt tegen den blijkbaar aangenomen grondslag er van om de vocalen als lang of kort te signaleeren al naarmate

ze in het moderne Nederlandsch lang

of kort zijn. Vooral als er geen Nederlandsch woord ter vergelijking kon dienen, is er, als ik tenminste op Dr. Ottema's uitgave mag vertrouwen, met het kwantiteitsteeken wonderlijk omgesprongen. Men leest t h ê n e naast thene, Ilagy naast Magy, enz., en dat zonder twijfel omdat in de voorstelling van den man die dat schreef, de vokaal zonder bréedteeken toch ook al als lang leefde, al zal hem wel gezegd zijn, dat consonant-verdubbeling niet noodig was om ze als kort aan te duiden. De modern' Néderlandsche natuur ging hier toch tel> kens weer boven de vaag aanwezige

Oera-Lihdaboeksche leer Kortom, ik

vermoed, dat ook in dit opzicht baas Over de Linden weer tot op zekére hoogte „baas" gelaten is; later zal ik uitleggen hoe ik me dat voorstel.

Over de Linden las dus, meen ik, het Oudfriesch „op zijn Nederlandsch," bijna 1 tenminste. En ik ga verder: de auditieve woordbeeldvorming moet daarbij meermalen plaats gehad hebben onder den ' anvloed van het Nederlandsch zooals h ij het sprak, hetgeen op zijn beurt bij

Sluiten