Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41

128: „Tha forsta bigripon êl god, h w ê r hjuiysoch t waar ze op doelde, wat haar toeleg was, enz. Lij zoeken is voor den schepeling: een plek zoeken achter den „opperwal," waar wind en golven het schip minder deren, en in beeldspraak: steun zoeken, zich dekken achter iemand, door schoonschijnende redeneering beproeven, gelijk te krijgen enz. Blz. 142 ... and wy skolde jeta r e ddelaser as en sêkwale wêsa thêr forthdryven warth thrvch ebbe and thrvch flod," zoo'n beeld, van de op 't strand geworpen machtelooze zeekwal moest bij Over de Linden als vanzelf opkomen; hij zag ze gedurig. Blz. 156: „In vsa bürt strompele en öld famke to tha husa uta in, immer to kêthande vr arge tid. Ikgyrdehja lïngsy de," trad haar op zij. „Langszij gieren" voor iemand op zij varen is bij zeelieden de gewone uitdrukking voor: van wind of stroom zoodanig gebruik maken dat de manoeuvre je „langs zij" van een met den kop op wind of stroom liggend ander vaartuig brengt. Ook in beeldspraak veel gebruikt. Blz.- 164: „Twa jêr nêi that Gosa Moder wrde, kêm er en flate to thet Fly mara in fala. Thet folk hropte ho. n.sêen." Het volk riep: hoe 'n zegen! Suggestie om den jubelroep hoezee hiervan af te leiden. Net iets voor Over de Linden, en waarschijnlijk ontleend aan zijn dagelijksche omgeving. Onze soldaten maken van „Hoera!", als ze verplicht zijn dien kreet aan te heffen, „Hoe naar!" Ik acht het waarschijnlijk, dat onze marine-matrozen van het (verolichte?) hoezee ironisch hoe 'n zegen maken. Blz. 172: „Thju moder ne thvrade hjra j o i navt wachtja, j o i nomath tha stjurar wiva hira mana, that is blideskip, ak segsath hja swêthirte. Tha stjurar hêton hjra wiva trast, and fro jefta frow that is frü ak frolik, that is êlik an frü." De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen de vrouwen der zeelieden hunne mannen, dat is blijdschap, ook zeggen ze swêthirte (Eng. sweet heart). De zeelieden noemen hunne vrouwen troost, en fro of vrouw, dat is: vreugde, ook vroolijk, dat is: gelijk aan vreugde. Ottema teekende aan: „Te Scheveningen hoort men nog j o e i en t r o o s." Zeker, dat hoort men langs onze geheele Hollandsche Noordzeekust

nog wel, en Over de Linden vooral moet het vaak gehoord hebben. Wat er nu verder volgt over fro, ja, dat is zeer beslist van Verwijs' hand; Dr. de Jong heeft ons dat, blz. 101 van zijn werk, duidelijk gemaakt. Maar 't moet een inlassching zijn, en 't heeft daarvan ook heelemaal het karakter, want veel verderop in 't O. L. B., blz. 230, wordt verwijtend gezegd: „Thêr send wiva thêr hjara selva lêthath fro v va hêta, afskên hja wête, that ihjuse nöme allêne to forsta wiva hêreth." En nu is konsekwentie wel niet een der sterke zijden van den O. L. B.-schrijver, maar op inkonsekwenties als deze zal men hem toch niet veel betrappen. Het springt hier duidelijk In 't oog, hoe gemakkelijk Verwijs den tekst dien hij van collega Over de Linden voor zich kreeg, kon wijzigen en interpoleeren. Dat deed hij gedurig en ook nog vaak heel wat minder onschuldig dan hier, envandaarzijn steeds parodieerend spoor door 't heele geschrift heen.

Nog zeer vele andere woorden en zegswijzen, ook die niet aan de zeemanstaal ontleend zijn, komen er in het O. L. B. voor, die men veel eerder van Over de Linden zal verwachten dan van Verwijjfl, in aanmerking genomen de uiteenloopende kringen waarin deze mannen opgegroeid zijn en verkeerd hebben.

4e. Voor den schrijver der O. L. B.-verhalen is Tessel, met Westfriesland, blijkbaar de kern van 't overoude Friesland Binnen dit rayon vinden alle handelingen die hij op vaderlandschen bodem laat afspelen, plaats. Waagt hij zich een enkele maal er buiten, dan blijft hij uitermate kort en vaag in plaatsaanduiding. Waar we nu eenmaal weten, dat het handschrift aan Den Helder te voorschijn gebracht is, wordt sterk de indruk gewekt, dat deze plaats, al wordt ze in den tekst nooit genoemd, het centrale punt van des schrijvers aardrijkskundige gedachtensfeer is. Soms ook Enkhuizen.

5o. In het O. L. B. komen in 't bizonder veel bepaaldelijk Westfriesche woorden en uitdrukkingen voor. Ik geef er hier eenige.

Blz. 6: „tha krêjon hja anneth warka en gryns." 't Woord komt ook verder nog al eens in 't O. L. B. voor. De Westfriezen zijn de eenigen die de vo-

Sluiten