Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

51

b.v. een taalkundige als Beckering Vinckers een boek dat in nuchtermodernen zinsbouw en volkstoonachtigen stijl aanvangt met „Thrittich jêr fittere dêi that tbju folksmoder vmbrocht was, stand et er firg vm to," en dan al heel spoedig ook nog komt met malligheidjes als „Tha bfisa and hjara storsta svnum krupton by tha lodderiga finna mangêrtum," (= manbegeerten — maagden!) en „Tha thêne Magy thfit anda n6s kryg...", waarna de hoogste zotternij geen bladzijde meer „van de lucht" is, voor een ernstig bedoelde falsificatie zou houden.

Maar 't oudgemaakte papier dan, het wonderlijke letterschrift, het lanceeren van 't geheel als een oud familie-erfstuk?

Och, misschien zijn zij op 't idee gekomen, doordat Over de Linden, met Stadermann als helper, al voordien met geprepareerd papier gewerkt had. Ja, wie weet 01 niet de kennismaking van Verwijs en Haverschmidt met den Helderschen zonderling begonnen is met een poging van den laatste om de eersten er eens in te laten loopen, door hen aan te klampen met een vervalscht handschrift, en dat zij toen gezegd hebben: „Hoor eens vriend, dat kan nog anders en beter, — laten wij je maar eens een handje helpen!" Er zijn in dit opzicht weer dui:;end-en-een mogelijkheden. Maar hoe 't ook zij, het eigenlijke doel van het op geheimzinnige wijze te voorschijn brengen van een (alleen voor 't uiterlijk!) geheimzinnig handschrift kan, dunkt mij, niet anders geweest zijn dan bij voorbaat het bewijs te leveren, dat deze parodie recht van bestaan had, in elk geval: haar zóó de aandacht te doen trekken, dat het vele werk niet tevergeefs verricht zou zijn.

Gesteld dat men het O. L. B. had aangekondigd en uitgegeven als parodie, op de gewone wijze. Welk effect zou er mee verkregen zijn? Men kan gerust zeggen: geen. Iedereen zou beweerd hebben dat het zotte ding niets hoegenaamd bewees tegen het geparodieerde object.

Neen, er moest eerst over van gedachten gewisseld worden in zekeren kring. Er zou een minderwaardig corps goedgeloovigen of twijfelaars komen te staan tegenover een meerwaardig corps waarlijke taal- en geschiedkundigen. En dan zou vanzelf wel eens het geschikte oogen¬

blik aanbreken, waarop men ieder uit den droom zou kunnen helpen

Men weet het: dat oogenblik is nooit gekomen. Toen de zaak aan den rol gebracht was, is 't anders geloopen dan men zich, waarschijnlijk zeer in 't vage, voorgesteld had. Niet alleen omdat men, zoodra het bestaan van het stuk wereldkundig gemaakt was en het eerste stel overtrekjes Den Helder verlaten had, al min of meër de controle er over miste, maar ik kan niet ontkomen aan de gedachte dat Verwijs ook weer geen maat heeft kunnen houden. „Das ist der Fluch der bösen Tat, dasz sie fortwfihrend Böses müsz gebaren," vooral bij een man als hij: zoo vaak hij een ongedacht succesje waarnam, een twijfelaar, ja zelfs een tot gelooven geneigde vond, waar hij een lacher verwacht had, zal hij door den schalk in hem aangepord zijn om zich nog maar weer wat verder te wagen dan

in de vage plannen lag Tot hij niet

meer terugkon.

Kortom, hoewel ik volstrekt niet beweer, dat de gang van zaken ook maar ongeveer zoo moet geweest zijn als ik hiér aanduid, ben ik er toch in gemoede van overtuigd, dat er noch achter het opstellen, noch achter de lanceering van het O. L. B. zóóveel fijne en zóó'n diabolische berekening gestoken heeft, als Dr. de Jong schijnt aan te nemen.

Ik heb zelfs een vaag vermoeden — waarop ik het grond kan ik moeielijk onder woorden brengen, — dat er na de verschijning er van een verwijdering tusschen Haverschmidt en Verwijs ontstaan is, een verkoeling althans, voortkomende uit verstoordheid van Haverschmidt, omdat zijn vriend het spel te ver gedreven had.

Dat „te ver drijven" begon eigenlijk al, toen hij, de aftrekjes van Jansen toegezonden krijgende, zelf de rol van twijfelaar en vérder-af wikkelaar van de zaak zoo bereidwillig op zich nam. Dr. de Jong zegt van het feit, dat op deze wijze „het O. L. B. tot zijn oorsprong terugkeerde," het volgende (blz. 370 van zijn werk): „Hoogstwaarschijnlijk is dit de grootste misrekening geweest, waarmede Verwijs te kampen gehad heeft. Hoeveel eenvoudiger ware de zaak voor hem gelopen, als Jansen zich inplaats

Sluiten