Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

houde) maer mit groote peste ende honger. Ick en hebbe noch ter tijt het quaetste nyet, mijn verdriet den armen." Hij vertelt dan dat hij den rijken het vleesch gunt voor een tamelijken prijs, den armen voor niet; dat hij hoopt dat de Staten spoedig hulp zullen bieden en dan — zaak waar aller aandacht aan hing — dat zij van het water nog niets bespeurden, ofschoon men hun geschreven had dat de dijken in Delf- en Schieland waren doorgestoken. Voorts zegt hij dat de heeren van den Raad, zijne medebroeders, hem wel schijnen te vergeten, wat hij nochtans niet gelooven wil, daarmede vooral Frans van Valkesteyn bedoelend. Nog rept hij van de dochter van Cornelis van der Wolff, secretaris, die zonder hem van honger zou vergaan, „zij mach qualicken die cost gecrijghen, het groote goet van haer nichte en mach haer nyet helpen". En hij eindigt: „Allen uwen goetwillighen ende welgunstighen man D. v. B."32). Het was zijn afscheidsgroet.

Den kapitein Jan van Duivenvoorde heb ik genoemd en naast hem stel ik Foy van Brouckhoven, baljuw van Rijnland, den vroegeren schout, man van beteekenis en der goede zaak getrouw. Doch hun allen en wie er meer zijn geweest, een talrijke en edele stoet, doe ik geen onrecht, als ik vooral drie gestalten voor mijn geest oproep. Zij maken zich los van de anderen en treden naar voren en, wanneer zij langs ons heen voorbij schrijden, buigen wij voor hen in bewondering en ontroering: het zijn de beide heeren van der Does en Jan van Hout.

Jacob van der Does, edelman van geboorte en edelman van geest, burger en oud-regent van Leiden, had zich in 1572 bij de Oranje-partij aangesloten en was nog in datzelfde jaar lid van de Staten geworden. Een halfbroeder van hem, Hendrik, wasiby~Eet beleg van Haarlem gesneuveld. Hijzelf was te oud om in het harnas te gaan, destemeer heeft hij door zijne bezadigdheid, zijn rustigen moed, de burgerij gesterkt. In de raadzaal verzette hij zich met kracht tegen alle aanbiedingen des vijands. Met name is zijne houding in de vergadering van Maandag 6 September de hoogste lof waardig. Zondag 5 September had een glipper, jonker van Matenesse van Wybesma een brief binnen de stad gezonden, waarin hij zijne bemiddeling bij De Requesens aanbood : Leiden was toch verloren, het water zou de stad nimmer bereiken. Deze brief was uit de schans bij Poelbrug 8a). De tweede brief, dién dag binnengekomen, was uit Leiderdorp van Valdez. Ofschoon gij, schreef hij, weerbarstige Leidenaars tegen God en uwen koning, door uwe hardnekkigheid alle aanspraak op barmhartigheid verspeeld hebt, bied ik u, volgens de goedertierenheid ook van Z. M., volledig pardon (zelfs voor Douza, Bronckhorst en van

Sluiten