Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

van der Does m zijne „Leidsche ode aan Jan van Hout" uitroepen : O mij gelukkige, als voor mij oprijst 't Beeld van dien nacht, waarin mij Die brieven bereikten . . ." 38).

Wij hoorden hem in die raadsvergadering spreken van het lokken van den vogel onder het net. Van hem is het beroemd geworden Latijnsche vers, als antwoord op een der lokkende brieven der glippers:

„Fistula dulce canit volucrem dum decipit auceps", later door Hooft puntig vertaald :

„De vooghlaer, op bedriegen uyt, Den voghel lockt, met soete fluyt".

Bekend, dit alles ? O ja ! Maar hoe lieflijk is de herinnering aan zoo verheven geestkracht en fijnen humor — Holland op zijn best !

Jan van Hout noemde ik. Hij is de derde van het edele driemanschap, Douza's beste vriend, in wiens vriendenalbum hij 2 December 1575, onder een vers, schreef: „Tot een gedenckteycken van de geduyrighe ende onveranderlicke vruntschappe mitten.... Johan van der Dous, bij tijden van de tweede belegeringe der Stadt Leyden in de uyterste hongernoot en sterfte gemaect" 37). Wat zij toen te zamen doorleefd en doorworsteld hadden had hen voor goed verbonden. Jan van Hout is van 14 December 1542, zoon van Cornelis Meesz. en Margriet Pietersdr., in Leiden geboren en getogen, getrouwd met Lijsbeth Reyersdr., in 1562 klerk bij den stadssecretaris, Jacob dë Milde, in 1564 zijn opvolger. Maar onder Alva wijkt hij, als deel gehad hebbend aan de beroerten, uit naar Emden; Augustus 1573 is hij terug en op nieuw secretaris, waarnaast hij ook het notarisambt heeft bekleed, later secretaris was van Curatoren der hoogeschool en het beheer voerde over de stadsdrukkerij. Doch behalve dit alles was hij, gevormd door de studie van de klassieke talen, helder in zijn denken, beoefenaar der geschiedenis, kundig archivaris, prozaschrijver van beteekenis en vooral bevallig dichter, aan de rederijkerspoëzie ontgroeid, „met een breed, vaag gebaar de richting naar de, levende kunst van onze moderne tijden aanwijzend" 38). Jammer, dat zijn „Lofsang opt ontset van Leyden" niet tot zijn beste werk behoort. Hij was een godsdienstig man, niet echter in calvinistisch — veel meer in nationaal-rekkelijk-gereformeerden geest. Als aanzienlijk, geëerd en gegoed burger is hij, naar eene aanteekening van zijnen oomzegger Orlers, „den 12 December des jaers 1609 des naermiddachs tusschen

Sluiten