Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Tjeerd Boltema beklom langzaam de bolle glooiing van de zeedijk. De verzwakte avond-zon spatte bibberende vonken op de puntige keien, en de grove sintels op het pad aan de haven tintelden als kluitjes vuur.

De jongen keek er even gemelijk op neer, en vadsig van het luieren rekte hij zich. Zijn gebruinde kop met de spitse neus en de forsche kin, lijnden als heel zijn mager lenig lichaam, mèt de hoekig omhoog buigende armen, donker en slank op, tegen de roode licht-gloed uit het Westen. Een oogenblik bleef hij in die houding, en zijn lichte tranig-opengesperde oogen tuurden wéér sloom-afkeerig over het blinkende water.

Amper aaide de futlooze deining een slier schuim tegen de bekorste kei-dam, eentonig-blak en als gevangen in de Zondags-stilte lag de wijde waterplas, leeg tot de horizon toe.

„Pö'-verdikke nou toch...," nijdig foeterde het op in de jongen, zijn armen zakten slap neer langs zijn lijf, en deerlijk verveeld keerde hij zich, liep dralende het lage sintelpad af, naar de tjalk.

In de ovale boog van de havenkom lag hun toch

5

Sluiten