Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lekker varen, hè? Ah-tjakkig, de reuk zit je tot in de haren, wat?"

Tjeerd hoorde de hoon in haar lachje en liep zachtjes weer door op het sintelpad. „Ja, nou, je moet 't maar nemen zooals 't komt, is 't niet zoo?" Een grijns trok over zijn heete wangen.

„Plezier met Engel, hoor!"

Eef lachte schel en ze wuifde. „Da-ag! Slaap lekker!"

Het was geducht warm in de roef. De mat-glazen luikjes boven de witte hanglamp waren niet opengezet en de tabaksdamp dreef als een zware mist tegen het lage zoldertje.

Dadelijk bij zijn binnenkomen verkende Tjeerd er Steven Roos en diens vrouw, Wiggert's schoon-ouë-lui, en een kregele weerzin trok zijn mond tot een donkere scheeve driehoek. „Verdorie," bitste hij, — „ajjelie hier gezamelijk braai-je wil, dan most je liever 'n bokking-hang uitzoeken. Ah-bah, zoo stikkend ..."

,,'t Glas is vergeten," zei de ouë, hij was er al bij, stiet het driftig open.

Roos had een gerekte schorre lach. „A-la-la! Bè'je be-zèstigd, jong'! Zoo'n beetje kwalm! Wat zou't? We bent hier toch geen jonge-juffertjes?" Hij klopte Tjeerd op de rug. „Kijk 's, aj-je fermielje-zaken op de tanden neemt, dan vóórt alles toe...."

Vrouw Roos lachte leutig. „Och heden, d'r hebben we 't jongie! Ja-a, zoo uit de buitenlucht, nee, dat valt

IX

Sluiten