Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

Hendrien kreeg tranige oogen van de wind en haar bont-geblokte boezelaar fladderde hoog boven haar muts uit. Mopperend en wat los op de beenen kwam ze het roef-trapje af, schoffelde uit de muilen, en hurkte kleintjes neer bij de opengeklepte zitting van de bank achter het tafeltje, voorzichtig haalde ze er de zorgvuldig-verpakte pronk-dingetjes uit te voorschijn: het speelklok je met het vergulde ruitertje, een stel bekertjes met prisma's, rose bloembakjes.

„Die Striekers," mokte ze, — „a-ah man, da-'s 'n bekijk, watte? Héél de linnenkast an de lijn, lakens met open-'werkte randen! Heer-heer, of 't zóó van de Koningin haar bed af'stolen is, sloopen van 't fijnste linnen en de reuk van de winkel er nog an." Schuin onder haar grauwe wenkbrauwen uit keek ze naar Tjeerd. Hij stond met ingebogen schouders voor het laag-hangend spiegeltje en kamde zich aandachtig in het nat-gewasschen haar een scheiding.

„Die Striékers," smaalde hij, — „tnou, dat is me wat!" Een lach wipte door zijn oogen en hij streek de tong langs de onderlip. „Och mensch, toch! Aj-je dat 'hoord had van de sjouwers pas, kristenziéle!" Hij lachte. „Fransche medellen met kantjes! Gos-gos!

21

Sluiten