Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn verliefdheid nam plotseling toe. „Mooi dierke toch, mooi dierke, zijn popi"

Hij liep de blauwe plavuizen op van het binnenplaatsje, de schuurdeur stond open. Toen hij door de schemerige gang stapte, hoorde hij vaag als een verre echo, Boukje's lach.

In de groote voorkamer van het ouderwetsche huis, heerschte een koele hofjes-gezelligheid. Roode potbloemen stonden in een lange rij op de breede vensterbanken, en onder de koord-franje van de ringgordijnen, gleed het schelle daglicht van de straat, vervreemd en vroom naar binnen, trillend en bleek schoof het over de bonte tegels van de oude haard en over Vrouw Zeelt's witte mutsje en paarse jak.

Bouk lachte weer, als ze Tjeerd met de rug van zijn hand, de mond zag afvegen. „Ga toch zitten," zei ze.

De wit-blonde krulletjes op haar warm-gebloosde wangen glansden van zon. Ze had een aardig kleedje aan, een blauw-katoenen met witte kringen, en in het kuiltje van haar hals aan een dun kettinkje een ster van witte steentjes.

„Laat dat je toch bent," morde ze in een bedwongen vroolijkheid en schoof hem vlug het bakje thee toe, — „daar."

Hij kwam dicht naast haar zitten, lei de linkerhand op haar knie en nam met de rechter het kopje op.

„Je hoeft niét te blazen," lachte Vrouw Zeelt, — ,,'t heb Bouk al 'daan."

Hij dronk dorstig. „We gaan wijd weg, zeg? 'n Héél

24

Sluiten