Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daalde diep, steigerde en zonk, steigerde krakend weer.

Weerloos stond de kranige ouë, een wrak leek het koene, waakzame schip, en nóg zwoegde het voort in de ranselende storm.

Druipnat klemde Tjeerd zich vast aan het ankerspil, een zwak gerinkel van glasscherven hoorde hij, een gil van zijn Moeder, een schreeuw van de ouë. „God Allemachtig! Of je zoo — zóó naar de diepte 'slingerd wier." Hij hijgde.

Het verzwelgende water bruiste door de warings, de jongen keek er naar, en een scherpe angst klom in hem op, angst voor de dood. „Aj-je toch nou al 's an 't eind kwam, en — en niks van 't leven 'had! Niks ....!" Een berouw brak door zijn angst. „Hij was ook in lang niet na' de Kerk 'weest. Hij moest dat toch weer 's en — en bidden ook, en niet meer ... niet meer wegloopen als — als Zondagsavonds de ouë Psalms zingen wou."

Beurtelings tilde hij een voet op, uit het kille nat, en in een wirreling van nevel en wind, zag hij de ouë: wit, recht-op, strak... Toen dacht hij ook aan zijn Moeder, en een vleug kalmte aarzelde door hem heen, hij wist haar in de gesloten roef, op de knieën, biddend... „Moeder, die geloofde zoo vast in de lieve Heer, zoo vast! Kijk nou, kijk of 't schip zóó weg-plompen wil, de zeilschoot wel drie verrel in 't sop! God, 'n barte, 'n barrigheid! De ouë die had 't toch wel goed 'had, pas, als ze niét voor top en takel 'dreven hadden, om-'blazen waren ze, als — als'n veertje om'blazen!"

43

Sluiten