Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tjeerd hoorde werktuigelijk toe op het woelig gepraat. Verward en dralend, als de ouë iets vroeg, gaf hij antwoord.

„Blijf je niet?," vroeg Hendrien, — „dat je zoo in de jekker ....?"

Hij keek langs haar heen. „Ja, néé, 'n jongen van — van de baas, dié van 't pakhuis .... , we gaan samen *s 'n beetje op stap."

Schuw blikte hij om naar het portret van Bouk Zeelt op de schoorsteen. „Nou ja, ja.... ze maakte 't nóg slimmer voor hem met haar onnoozele inhaligheid. Lief wel en aardig, jawel, jawel, maar 't joeg hem danig de dampen an! Och, zoo'n deerntje van achttien, zoo'n kers-versch dingie, waar wist dié ook van? Nee, ie moest 't dan vóór die gang na' 't gemeentehuis maar buiten haar om zien te....," de gedachte ontglipte hem.

Er werd forsch op de plank geklopt en een zware jongensstem riep: „Tjeerd Boltema 1"

De ouë was voor hem de roef uit, vlug weer terug ook. „Ja, da-'s om jou te doen, maat."

Met beverige vingers streek Tjeerd een lucifer af, en haastig zoog hij de wankele vlam in zijn steviggestopte pijp. „Ja-a, die jongen van 't pakhuis," lichtte hij nog eens toe, — „nou, genavond samen."

Tastend in het duister liep hij over de rijswaring naar de loopplank en groette, maar van de onbekende jongen op de wal, bekwam hij geen weer-groet.

Toen hij — dichterbij — hem aanzag, zonk de stem

48

Sluiten