Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou eerst 'n biertje pakken, hè?," stelde hij voor, — „nee wacht 's, 'n advocaatje of — of 'n glaasje anijs?"

„Och . ...," Eef trok de schouders op, ze keek naar een noga-kraampje, maar hij merkte het niet, — ,,'t is mij glad eender," zei ze koeltjes.

Hij had geen oog van haar af. ,,G6', wat 'n mooie kralen toch," bewonderde hij en keek naar haar volle blanke hals, — „wat móóie kralen."

„Zeldzame," spotte ze. Met een hoog uitschietend schatertje wuifde ze naar een passeerende kennis. ,,'n Jongen van Jellert Kers," vertelde ze, omkijkend,

— „Lólleke, net ventje wel, diè heb 't toch ook zoo op me geladen, hè? Z'n vader zit dik in 't splint."

„Zóó?," Tjeerd kreeg wat droogs in de keel, hij slikte.

Een gedachte aan Bouk welde in hem, vergleed toch gauw weer, vaster trok hij Eefke's arm tegen zich, en liep als in een droom. „Heden, dat hij nou met 'n dochter van Müssels van de sleepkaan was, tjee hij kon 't niet op ...."

— In een schemerig hoekje van een gezellig cafézaaltje, zaten ze dicht naast elkaar. Eefke lepelde haar derde glaasje advocaat uit. „Zeg, Spéénsche wijn," viel haar in, — „dié is echt! Laat jij dat smerige bier nou ook 's staan, hè?"

Tjeerd bestelde.

Onbevangen leunde Eef tegen hem aan, hij werd brutaler. „Poes-poes-poeseke," hij kneep haar in de knieën, hield de hand op haar schoot, „Poéske."

Ze spitste de mond. „Dót, die je bent!" Haar wan-

55

Sluiten