Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„La' me toch los, ah gèk jóng'!" Haar korte rok bolde wijd-uit, woei op in de wind, er ging een schok door zijn arm en dadelijk liet hij haar los.

„'t Is fijn!," zong haar kittige stem, — „zeg, fijn hè, Tjeerd Boltema?"

Hij knikte enkel.

„Nog twintig keer 'n ritje," eischte ze.

Hij knikte weer. „Ja, goed . —" Uit donkere oogen keek hij naar Eefke, en het begeeren over-meesterde heel zijn wezen.

De molen draaide langzamer, al-langzamer.

Tjeerd lei zijn handen zwaar op Eefke's knieën. „Doe' we morgen weer ....?," bedelde hij, — „ja poeske? Al de dagen, da'-we hier nog benne — nóti?"

Eef tuurde zoekend uit over de krioelende kermismenschen. „Dat weet 'k nog niet," ontweek ze, — „néé, dat weet ik nog niet...."

„Wétte nou?," soebatte hij, — „waarom weet je 't niet, hè? Eefke dén?"

Ze keek hem recht in de oogen en lachte schel op. „God, wat doen jij nou ineens onnoozel, Tjeerd Boltema! Maak Bouk Zeelt 't altijd nog goed, hè?"

Beduusd keek Tjeerd voor zich neer, gloeiend tót in de ooren.

„Ja, goed," zei hij met een beknepen stem. Eef gichelde. „Oh — zoo."

De molen stond stil en de vrouw van de molen-man kwam haar geld weer innen. Het orgel zette een aria

59

Sluiten