Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de opera in, lustig begon het zweven weer. En Eefke dolde met Tjeerd.

Een half uur bleven ze nog in de molen. Ten laatste en toen Tjeerd al betaald had, liet Eef zich verveeld van het bankje zakken en ging achter het hekje haar los-geraakte Vlechten opspelden, ,,'k Heb nou genoeg van 't draaien," zei ze.

Hij kwam dicht achter haar aan, de portemonnaie nog in de hand. Spottig keek Eefke er naar en dartel pakte ze hem het glimmende taschje af, draafde er schaterend mee weg, een donker zij-straatje in.

Vlug volgde hij haar, zijn bloed tintelde. „Eefke die wou nóg wel 's gepakt.... 1" Hij greep haar, maar ze dook in en ontsnapte. Aan-gepord van haar lach en gebaren, jachtte hij weer achter haar aan, maar zij was hem gedurig te vlug af. „O-o-oh! Hè-è-è! Die portemenee van je, die is gröndleeg, Tjeerd Boltema!" Ze wierp hem het ding voor de voeten, holde rakelings langs hem, en had een sarrend lachje.

Hij hijgde. „Och toe Eef! Eefke! Hou nou 's op met die gekheid! Ik — ik moet je wat zeggen 1"

Eef's schatertje brak.

Een jongen met een rottinkje onder de arm, en een deukhoed op, kwam haastig de straat inloopen, hij joedelde, en — Eefke draaf de op hem toe. „O-o-oh Abel Bas-jes!," zong ze hoog-uit, — „a-ah jong toch, wat hê-'k dat ventje daar, lekker voor de mal 'houën JO-oh slum!" Ze pakte hem wild-aanhalig om de hals en vertelde druk en triomfantelijk van Tjeerd's domheden.

60

Sluiten