Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af. „Als er toch 's wat...! God, er kon zoo'n boel in 'n maand tijds ...! Raar dat hij ook geen krumeltjen bescheid 'kregen had viér weken terug."

Rillig en vervreemd stond hij even later in de schemerige gang.

Door de groene ruitjes van een bovenlicht keek de dag somber en bleek naar binnen, de hooge blauw-witte gang-wanden hadden een kloosterachtig en gestreng aanzien.

Tjeerd kuchte, hij ging dralend naar de kamerdeur en klopte.

Een treurige stem verzuchtte iets, dat hield even aan en brak, voetstappen schuifelden over de kale vloer.... Vrouw Zeelt deed open.

„Wel hê'-'k van m'n leven," rekte ze, en een blij verwonderen flitste glanzend door haar uitgeleefde oogjes, ze hief de handen. „Hemeltje nog an toel Hier .... hiér hê'-we 't verloren schaap!"

Tjeerd lachte wat schutterig en stak haar de hand toe. „Vrouw Zeelt, hoe maak je 't?"

Door het antwoord van de Moeder hoorde hij gerekt en schuchter-verlangend een uitroep van de dochter.

„Ah Bóükjel," driest in zijn heftig-oplevend verlangen drong hij naar binnen, bleef daar weer beteuterd stil en sperde de oogen. „Nee maar, wat nóu...?"

Achter de wijd-open alcoof-deuren, op een hooge bedstee, dook uit roode gordijn-plooien Bouk's bleeke gezichtje. Ze had een witte nacht-pon aan en over elke schouder een dikke vlecht.

7i

Sluiten