Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op. Ze verlangde heftig zijn wilde begeerende zoenen op haar mond en het gefluister van zijn koozende woorden.

Vluchtig dacht ze ook aan de gespleten tweespalt in zich. „Dat was nou gek hoor en — en as de Domenee 't van haar wist. . nou, maar toch eerlijk waar, er was 'n braafheid zoo hard as ... as 'n spieker 1 Zij ook! Ze had 'm toch maar leelijk af'snauwd toe' op de dijk, 'm 'n akelige vinnige kattebek 'geven, en — en 'm zóó misschien haast naar 'n ander toe'duwd, met haar onwilligheid! Heden, en dat was toch 'n verschrikkelijke gedachte om Tjeerd kwijt te wezen,

voor altijd kwijt " Snel flitsten de gedachten door

haar.

„Toe' op de dijk," zei Tjeerd peinzend, — „ja toe' was ik nog 'n barre schavuit, maar nou — nou heb 'k mijn leven 'beterd."

Zijn glimlach had een smartelijke ironie.

„Ah wel nee," weerlei Bouk mild, — „geen barre .. . Ik — ik was zelf 'n malle ....!"

Tjeerd bewoog zich onrustig.

„Hê'-'k je al verteld van Wiggert?," begon hij haastig, — „och heden, die lijkt toch aardigheid op 'n klipper te hebben. Oom Liekele had er van 'hoord, een uit-de-hand, van eene Bas Roosjes. Oh ja, en je moet nog de groeten van Wietske hebben, de kinders maken 't best."

Bouk had er op dat oogenblik geen belangstelling voor, ze bleef stil liggen mijmeren en gaf nu en dan

Achter het Anker

81

Sluiten