Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar werktuigelijk een antwoord op zijn weer doorpraten over de klipper.

Hij merkte het plotseling en brak af ... „Wat nou? Je geeft geen geluid meer? Slaap je?"

Bouk schaterde ingehouën. „Och-och, of dat zoo'n groot wonder zou wezen, hè?" Onder de dekens trok ze de knieën tot een spits heuveltje. „Aardig, nou? Dat we hier zoo alleen in 't stille huis benne," waagde ze^ — >>en krek als 'n paar ouë luidjes."

Hij trok met de schouders. „Toe nou, dat moet je niet zeggen, poeske, nou dat je ziek bent."

Ze had een vreemd lachje. „Ziek van verlangst," zei ze.

Tjeerd praatte dof door. „Da-'s tóch . ..! Toe' je moet 't me niet zoo slim moeilijk maken, popi Je weet best da-'k anders zóó niet ben."

„Weet ik dat?," plaagde ze, — „gut nee, niks van bekend . . . ."

Hij kwam vlug overeind, trok de alcoofdeuren toe, en boog zich breed tot haar over. Zwaar lei hij zijn hoofd tegen haar handen. „Ik zou je graag zoenen willen," zei hij gesmoord, — „oh ja, ja, overal, poeske, op héél je lieve lijf wel."

Het licht van de lamp sloop bleek door het deurglas en Bouk keek met groote, verlegen oogen op hem neer. „Dat is nou weer zoo buitengewoon .. ..," trachtte ze te schertsen, — „nee, tóé, kom nou 's hier, met je hoofd op 't kussen, zóó, nou ...?"

„Heksje," koosde hij, — „klein heksje dat je toch

82

Sluiten