Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de slapende stad, maar de jongen, schonkig ingebogen, achter de roef, had amper een weerwoord.

De witte stille maannacht maakte hem wrevelig en beklemd, er groeiden kwellende herinneringen in zijn gepeins, en zijn voorhoofd werd heet. In zijn vermagerd gezicht waren zijn oogen doffe vlekken. „Wat zei de ouë nou ook? Ah — niks van belang 1 Ja, hij kon na' kooi gaan als ie wou en slapen ...."

Meer in-buigend plaatste hij de ellebogen op de knieën, drukte het gezicht tegen de handen. „God, raar had die Wietske hem bezien, en de handen niet van hem af: de manier van de sletten had ze ook, de por te menee uit de broekszak grijpen en dan meteen..., och zij wist er alles van: zal je nou 's tr acteer en zwager, zal je nou 's tracteeren? Kom wat zal 't wezen? 'n Rood anijsje ....? Tjee dat ze mekaar nou ook net te Zevenbergen antreffen moesten, 'n Heele verrassing, zei Wietske! Ja en Wiggert die keek op zijn lange neus! Anhalige feeks! Gos, en dat zoo'n mensch in

haar versche gezegende ! Hoe kon 't toch ? Zwager,

hè zwagertje! Ja zwager, dat was 't juist. Och maar, al dat gekoer.... dat was enkel in de zoete hoop ve'zelfs dat hij van 't zomer maar, als Wig onder dienst was, de schuit regeeren zou. Ja, 'n gaatje in de kruin! Met Wietsk alleen wezen, dat kon je immers niet? Nou spookte ze al door zijn kop. Oh heden-héden en 't kwaaie dat moest hij ook veel meer uit de weg blijven,

veel meer nog! Ja, nou dat Bouk zijn vrouwke "

Het bloed gloeide hem prikkelend tegen de huid, de kilte

85

Sluiten