Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hè-hè. En 's avonds die stroopkoeken van Moeder, dat was ook 'n goed ding, en 'n groote tas chocolaad, hè jél Alleen in de kooi...., ah-duvels, weg daar nou mee, wèg daar meel"

Het touw van het boodschappennet sneed een bloedroode voor over de rug van zijn hand. „Raar was 't, dat ie nou al in geen veertien dagen van Bouk 'n berichtje 'kregen had. Gee-eens 'n ansicht I Niks ..."

De tochtdeur achter hem flapte open en zoog geluidloos weer toe. Een paar gichelende juffertjes kwamen het wachtkamertje in.

Bij zijn vluchtig omkijken, zag hij de schemer van een fel-roode mantel. Zeurig-langzaam schoof hij op in de rij, rekte zich en telde verveeld. „Nog drié, viér, vijf stuks, tsjonge, saai als dat afdooide."

Het was zwaar-stil in het zaaltje, af en toe klonk gewild lawaaiig, in het belendend vertrek, het neerflappen van een stempel, het ratelend getik van een schrijfmachine, een hoest, en achter het kleine loket dook nu en dan het gewichtige gezicht van een deftige meheer.

Tjeerd geeuwde. Er krieuwelde hem iets in de nek, hij greep driftig naar de jeukende plek. Achter hem gichelden de juffertjes.

Toen hij toevallig neerkeek op zijn boodschappennet, zag hij, daar alles dooreen gehutseld, en haastig sloeg hij aan het redderen.

Het vette papier rond de hoekige boterklont was breed-open geplooid, het roode suikergoed-snoepje

93

Sluiten