Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Och jee, jee, wat 'n ballast allegaar, wat 'n ballast," hij zuchtte herhaaldelijk.

„Wil je óók nog 'n tas koffie, jong' ?," vroeg Hendrien hem plotseling. Haar stemmetje klonk onzeker, ze zag zijn vertrokken wit gezicht onder het verwilderde, stugge haar, zijn schuwe nederige oogen.

»Ja» graag," zei hij schor. Haar onverwachte goedheid deed hem pijn, trok het verdriet als een brok, naar zijn keel....

Toch keek hij uit dankbare oogen naar haar op, en naar het vriendelijk-gulle gedoe van haar handen over de kommen in het koffieblad. „Ze zou 't wel beroerd vinden als hij wegging. . . ."

De ouë zat gebogen in zijn leunstoel, hij had het hoofd afgewend naar het haardje, het leek of zijn lange witte baardhaar trilde, hij rookte de eene pijp na de andere, peinsde....

Het was stil in de roef.

Tjeerd dronk langzaam zijn koffie uit en Hendrien naaide weer met onrustige naald-rukjes voort aan het versleten jak op haar schoot. Haar mond had kleine rechte plooitjes, en in een diepe rimpelnaad, onder haar rechter-oog lag als een glazen kraaltje, een traan.

Tjeerd staarde gedurig naar het dorre rimpelige gezichtje van zijn moeder, de kornet welfde wit en heilig om haar hooge voorhoofd, en het was hem of hij haar gedachten in letters voor zich zag. „Wig, netjes getrouwd en zij zelf met de ouë en — en alleman in de familie en nou hij, de jongste, 't lieve jongetje...,"

101

Sluiten