Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langen, dacht ze eensklaps aan het ouë grauwe huis van haar moeder, aan de rust van de groote koele kamer, waar de risten rooie pot-bloemetjes weer fleurig in de vensterbanken stonden en waar Moeder in haar paarse schootjak eenzaam aan de groote tafel zat.

„Och heden, zoo goed was 't er toch, en zij — zij was er uit wèg'loopen, ja ... Maar, ze had toch ook veel van 'm 'houën, och nee — néé, ze hield nóg veel van Tjeerd, oh God ja, ve'zelfs!"

Het was haar of ze warmer werd, ze voelde de zweetdroppen in haar nek krieuwelen, in de oksels, tusschen de borsten, snel keerde ze zich af, rukte de japon los en uit....

„Zie zoo, ja, dan maar 'n schort voor, dat mouwschort, want zóó kon ze toch ook niet blijven, in haar onderlijfje, al was 't ook nog zoo lekker. Tjeerd, die had dan weer zooveel an haar te bezien en 't bracht hem weer op rare gedachten ook.... G6' nee, en dat— dat kon best toe voor vandaag .... dat met die inhaligheid."

Wrevelig wierp ze de japon over een stoelrug, in de roef, en ademde ingehouën en weerzinnig de sterk doordringende reuk in van de gecarbolineumde biels in het ruim. „Oh tjakkig, die laaiïng ook, om 't hart uit 't lijf te braken."

Vluchtig keek ze in het spiegeltje naar haar verweerde gezicht, met de pijnlijk-ingebeten lippen, de doffe, dik-omwalde oogen, onachtzaam duwde ze een paar haarpieken tusschen haar bolle kuif, hield dan haar

107

Sluiten